Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H13 dieren en planten paragraaf 1 en gedeeltelijk 2

Total questions: 25

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

2.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Bewegen

c)

Verdediging

3.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Bescherming

b)

Bewegen

c)

Voeden

d)

Uitdroging

4.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

5.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

6.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

7.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

8.

Een (a)   is een planteneter.

9.

Een (a)   is een vleeseter.

10.

Een (a)   is een alleseter.

11.

Deze kiezen zijn van een ____

a)

Carnivoor

b)

Herbivoor

c)

Omnivoor

12.

Welke woorden horen bij dit plaatje?

a)

Knipkiezen

b)

Knobbelkiezen

c)

Omnivoor

d)

Carnivoor

e)

Herbivoor

13.

Hoe heten de kiezen van carnivoren?

a)

Knobbelkiezen

b)

Knipkiezen

c)

Plooikiezen

14.

Welk antwoord laat een verteringsstelsel zien van een herbivoor?

a)
b)
c)
15.

Welk begrip geeft de beste omschrijving bij het dier in de afbeelding?

a)

Cammouflage

b)

Mimicry

16.

Welk begrip geeft de beste omschrijving bij het dier in de afbeelding?

a)

Cammouflage

b)

Mimicry

17.

Welk begrip geeft de beste omschrijving van het dier in de afbeelding?

a)

Cammouflage

b)

Mimicry

18.

Hoe halen insecten adem?

a)

Via de kiewen

b)

Via de mond

c)

Via de stigma

d)

Via de tracheeën

19.

De T in de energiebalans staat voor ... (in 1 woord)

(a)  

20.
Waarvoor staat het deel "Foto" in het woord fotosynthese?
a)
zuurstof
b)
lucht
c)
licht
d)
water
21.
Wat is glucose?
a)
Een soort vet
b)
Een soort eiwit
c)
Een soort suiker
d)
Een soort lucht
22.

Waar in de plant vindt fotosynthese plaats?

a)

In de wortels

b)

in de bladgroenkorrels

c)

In alle plantendelen

d)

in de stengels

23.

Welke is correct?

a)

Water + zuurstof + glucose -> koolstofdioxide + licht

b)

Water + koolstofdioxide + licht -> glucose + zuurstof

c)

Licht + zuurstof + water -> koolstofdioxide + glucose

24.

Waar is de concentratie aan kleurstof het laagst?

a)

Op de bodem van het glas.

b)

In de kleurstof zelf.

c)

Aan het wateroppervlak van het glas.

d)

In het midden van het glas.

25.

Je vertelt jouw vriend of vriendin dat zijn of haar parfum heerlijk ruikt. Dit is een voorbeeld van _____.

a)

diffusie

b)

osmose