Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voornaamwoorden (Campus 2)

Total questions: 35

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welk soort voornaamwoord is 'wij' in de volgende zin?

Gisteren hebben wij een toets gemaakt.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

2.

Welk soort voornaamwoord is 'die' in de volgende zin?


De toets die wij gemaakt hebben was erg moeilijk.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

3.

Welk soort voornaamwoord is 'welk' in de volgende zin?


Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

4.

Welk soort voornaamwoord is 'jullie' in de volgende zin?


Ouders willen jullie tijd niet verspillen aan fietsen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

5.

Welk soort voornaamwoord is 'jullie' in de volgende zin?


Daarom mogen jullie vaak met de bus naar school.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

6.

Welk soort voornaamwoord is 'zich' in de volgende zin?


Herinnert u zich nog dat u moet nakijken?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

7.

Welk soort voornaamwoord is 'men' in de volgende zin?


Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

8.

Welk soort voornaamwoord is 'deze' in de volgende zin?


Ik wil deze toetsen morgen bespreken.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

9.

Welk soort voornaamwoord is 'die' in de volgende zin?


Die leerling die daar loopt gaat naar het leerlingcentrum.

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Betrekkelijk voornaamwoord

10.

Welk soort voornaamwoord is 'iets' in de volgende zin?


Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

11.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

Heb je mijn nieuwe bril al gezien?

a)

je

b)

al

c)

mijn

d)

gezien

12.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

Dat zijn onze jassen.

a)

dat

b)

onze

c)

jassen

d)

zijn

13.

Schrijf de bezittelijke voornaamwoorden op:

Ik heb de spelcomputer van jouw zusje geleend, maar ze wil haar spelcomputer graag terug.

(a)  

14.

Benoem de woordsoort:

Deze boeken leest zij nooit.

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

wederkerig voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

15.

Benoem de woordsoort:

Heb jij gisteren naar die film gekeken?

a)

onbepaald voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

16.

Welke zin hoort bij het wederkerig voornaamwoord?

a)

Hij vergiste zich.

b)

Tijdens het koken had ik me gesneden.

c)

Tijdens het feestje waren we elkaar aan het pesten.

17.

Welke zinnen horen bij het wederkerend voornaamwoord?

a)

Johan en Pieter verdedigen elkaar.

b)

Ellen en Gea vervelen elkaar.

c)

Johan verdedigt hem.

d)

Ellen en Gea vervelen zich.

18.

Benoem de woordsoort:

Wie heeft mijn schoenen gezien?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

19.

Heb je je vergist met het maken van die som?

je is een

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

20.

Benoem de woordsoort:

Niemand wil eten voor mij koken.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

onbepaald voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bezittelijk voornaamwoord

21.

Welk voornaamwoorden worden hier gebruikt?: We schaamden ons enorm na het weekend.

a)

persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord en wederkerend voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord en aanwijzend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord en wederkerend voornaamwoord

22.

Welk voornaamwoord wordt hier gebruikt?: Het park is groot. Dat is de favoriete plek van elke inwoner.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

23.

Vul aan met het correcte aanwijzend voornaamwoord.


... ketting hier vind ik mooi.

a)

Deze

b)

Die

c)

Dit

d)

Dat

24.

Vul aan met het correcte aanwijzend voornaamwoord.


Ik vind ... meisje daar heel vriendelijk.

a)

Deze

b)

Die

c)

Dit

d)

Dat

25.

Vul aan met het correcte aanwijzend voornaamwoord.


Ik ga Sproetenliefde lezen; Maren Stoffels is de schrijfster van ... boek.

a)

deze

b)

die

c)

dat

26.

Vul aan met het correcte aanwijzend voornaamwoord.


Iemand heeft me aangeraden om ... tijdschrift dat je hier ziet, te lezen.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

27.

Werk de storende herhaling (zie onderlijnd) weg door het bezittelijk voornaamwoord zelfstandig te gebruiken. Je start met het lidwoord.


Zijn dat haar schoenen of jouw schoenen?

(a)  

28.

Werk de storende herhaling (zie onderlijnd) weg door het bezittelijk voornaamwoord zelfstandig te gebruiken. Je start met het lidwoord.


Is dat jouw glas of zijn glas?

(a)  

29.

Jou of jouw?


Ik heb ... (a) ... (b) auto zien parkeren.

a)

(a) jou - (b) jou

b)

(a) jouw - (b) jouw

c)

(a) jouw - (b) jou

d)

(a) jou - (b) jouw

30.

U of uw?


Deze brief is van ...(a). Geeft u die af aan ... (b) directeur?

a)

(a) u - (b) u

b)

(a) uw - (b) uw

c)

(a) uw - (b) u

d)

(a) u - (b) uw

31.

Vul aan met het correcte wederkerende voornaamwoord.


Meneer, stelt u ... even voor?

(a)  

32.

Vul aan met het correcte wederkerende voornaamwoord.


Jullie vergissen ... in die persoon!

(a)  

33.

Duid alle vragende voornaamwoorden aan.

a)

Wie

b)

Waarom

c)

Welk(e)

d)

Wat

e)

Wiens

34.

Juist of fout?


In de zin 'Zie jij het licht daar branden?' is 'het' een onbepaald voornaamwoord.

a)

Juist

b)

Fout

35.

Duid het juiste antwoord aan. Welk soort woord is 'haar' in de onderstaande zin?


'De kapster knipt haar(1) haar(2) en helpt haar(3) daarna met de make-up.'

a)

(1) persoonlijk vnwd - (2) zelfstandig naamwoord - (3) bezittelijk vndw

b)

(1) bezittelijk vndw - (2) zelfstandig naamwoord - (3) persoonlijk vnwd

c)

(1) persoonlijk vnwd - (2) persoonlijk naamwoord - (3) zelfstandig naamwoord

d)

(1) persoonlijk vnwd - (2) bezittelijk vnwd - (3) bezittelijk vndw