wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 1 Herhaling SO 3.1 - 3.3 - 3.4

Total questions: 21

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Organismen zijn ingedeeld in twee hoofdgroepen. Hoe heet de hoofdgroep met organismen die geen celkern bevatten?

a)

Eukaryoten

b)

Prokaryoten

c)

Schimmels

d)

Eencelligen

2.

Welke celkenmerken zie je terug bij een plantencel? (meerdere goed)

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

3.

Welk gedeelte van een cel zorgt voor stevigheid?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Celkern

c)

Celmembraan

d)

Celwand

4.

Bekijk de afbeelding. Bij welk organisme hoort deze cel?

a)

Bacterie

b)

Schimmel

c)

Plant

d)

Dier

5.

Bekijk het plaatje. Tot welke stam van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Stekelhuidigen

b)

Geleedpotigen

c)

Gewervelden

d)

Neteldieren

6.

Bekijk het plaatje. Dit dier is (1) en hoort bij de (2)

a)

1: tweezijdig symmetrisch, 2: stekelhuidigen

b)

1: veelzijdig symmetrisch, 2: stekelhuidigen

c)

1: tweezijdig symmetrisch, 2: neteldieren

d)

1: veelzijdig symmetrisch, 2: neteldieren

7.

Welke stammen van het dierenrijk bevatten een uitwendig skelet? (meerdere goed)

a)

Sponsdieren

b)

Weekdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Gewervelden

8.

Bekijk het plaatje. Bij welke stam hoort dit organisme?

a)

Weekdieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Neteldieren

d)

Gewervelden

9.

Welke stam dieren is als enige niet symmetrisch?

a)

Weekdieren

b)

Sponsdieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Geleedpotigen

10.

Wat moet er op de plaatsen staan in de volgende formule?


Water + 1 + Licht → 2 + zuurstof

a)

1: koolstofdioxide, 2: glucose

b)

1: glucose, 2: koolstofdioxide

c)

1: zuurstof, 2: glucose

d)

1: glucose, 2: zuurstof

11.

Hoe heten de celorganellen die bij planten zorgen voor fotosynthese?

a)

celwand

b)

cytoplasma

c)

vacuole

d)

bladgroenkorrels

12.
Welke 5 klassen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
13.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
14.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
15.
Wat is de definitie van een ras?
a)
Een groep dieren binnen de soort met dezelfde vaste kenmerken
b)
Dieren die je krijgt als 2 soorten met elkaar paren
c)
Een groep soorten met dezelfde kenmerken
d)
Alle sterk op elkaar lijkende dieren die zich onderling kunnen voortplanten
16.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

17.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
18.

Met welk nummer is het DNA weergegeven?

a)

4

b)

8

c)

5

d)

3

19.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

20.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

21.

In de afbeelding kun je een stamboom zien van dieren. Welk dier is het meest verwant aan de nijlpaarden?

a)

Giraffen

b)

Tandwalvissen

c)

Zwijnen

d)

Kamelen