wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 Organen en cellen

Total questions: 50

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Welke naam hoort bij orgaan nummer 2?

a)

Hart

b)

Bronchie

c)

Long

d)

Borstkas

2.

Welke naam hoort bij orgaan nummer 7?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Anus

3.

Welke naam hoort bij orgaan nummer 10?

a)

Alvleesklier

b)

Dunne darm

c)

Hart

d)

Nier

4.

Welke naam hoort bij orgaan nummer 1?

a)

Schildklier

b)

Stembanden

c)

Luchtpijp

d)

Slokdarm

5.

Welke naam hoort bij orgaan nummer 4?

a)

Alvleesklier

b)

Lever

c)

Blaas

d)

Galblaas

6.

Een plant die naar de zon groeit is een voorbeeld van het levenskenmerk...

a)

Groeien

b)

Bewegen

c)

Reageren op prikkels

d)

Ademhalen

7.

Hoeveel verschillende organismen zie je in deze foto?

a)

1

b)

3

c)

86

d)

Veel

8.

Hoeveel verschillende soorten zie je in deze foto?

a)

1

b)

3

c)

86

d)

Veel

9.

Welk levenskenmerk past het best bij deze foto?

a)

Groeien

b)

Ademhalen

c)

Bewegen

d)

Reageren

e)

Voortplanten

10.

Welk levenskenmerk past het best bij deze foto?

a)

Groeien

b)

Ademhalen

c)

Bewegen

d)

Reageren

e)

Voortplanten

11.

Welk levenskenmerk past het best bij deze foto?

a)

Groeien

b)

Uitscheiden

c)

Bewegen

d)

Reageren

e)

Voortplanten

12.

Welk levenskenmerk past het best bij deze foto?

a)

Groeien

b)

Uitscheiden

c)

Bewegen

d)

Reageren

e)

Voortplanten

13.

Welk orgaansysteem zie je links onder?

a)

Zenuwstelsel

b)

Bloedvatstelsel

c)

Beenderenstelsel

d)

Spierstelsel

e)

Verteringsstelsel

14.

Goed of fout:

In een orgaan vind je meestal maar één soort weefsel.

a)

Goed

b)

Fout

15.

Goed of fout:

Elk organisme heeft zijn eigen levensloop.

a)

Goed

b)

Fout

16.

Goed of fout:

Elke soort blijft bestaan omdat er een levenscyclus is.

a)

Goed

b)

Fout

17.

Welk levenskenmerk past het woord DNA het best?

a)

Groeien

b)

Uitscheiden

c)

Bewegen

d)

Reageren

e)

Voortplanten

18.

Wanneer je gaat werken met een microscoop, met welke lens begin je dan?

a)

Rood

b)

Geel

c)

Blauw

19.

Waarom gebruik je de grote scherpstelknop van de microscoop niet bij de blauwe en de gele lens?

a)

Dan kun je niet goed scherpstellen

b)

Dan kun je de lens stukmaken

c)

Omdat dat niet kan

d)

Omdat het kan

20.

Een sinaasappel is oranje vanwege de kleurstofkorrels. Deze korrels waren eerst...

(a)  

21.

Bekijk de cel van een plant en van een dier.

Welke nummers wijzen cytoplasma aan?

a)

1

b)

3

c)

16

d)

13

e)

11

22.

Wat is nr. 18?

a)

Intercellulaire ruimte

b)

Kleurstofkorrel

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

e)

Vacuole

23.

Wat is nr. 1?

a)

Intercellulaire ruimte

b)

Kleurstofkorrel

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

e)

Vacuole

24.

Wat is nr. 14?

a)

Intercellulaire ruimte

b)

Celmembraan

c)

Bladgroenkorrel

d)

Producent

e)

Celwand

25.

Welk orgaansysteem zie je boven in het midden?

a)

Zenuwstelsel

b)

Bloedvatstelsel

c)

Beenderenstelsel

d)

Spierstelsel

e)

Verteringsstelsel

26.

Goed of fout?

De maag ligt boven het middenrif.

a)

Goed

b)

Fout

27.

Goed of fout?

Een wesp is een orgaan.

a)

Goed

b)

Fout

28.

Goed of fout?

Een organisme is zelf ook een organisatieniveau.

a)

Goed

b)

Fout

29.

Goed of fout?

Alle organismen zijn begonnen als één cel.

a)

Goed

b)

Fout

30.

Goed of fout?

In de vacuole zitten water en opgeloste stoffen.

a)

Goed

b)

Fout

31.

Goed of fout?

Dierlijke cellen hebben een celkern, cytoplasma en een celwand.

a)

Goed

b)

Fout

32.

Wat is een ander woord voor 'gewone celdeling'?

(a)  

33.

Goed of fout:

Een moedercel heeft evenveel chromosomen als haar dochtercel.

a)

Goed

b)

Fout

34.

Welke dingen gebeuren er tijdens de gewone celdeling?

a)

Het DNA wordt korter en dikker

b)

Het DNA wordt onzichtbaar

c)

De hoeveelheid cytoplasma in de dochtercellen blijft hetzelfde

d)

De chromosomen gaan aan de uiteinden van de cel liggen

e)

Er ontstaat een nieuw kernmembraan.

35.

Je ziet hier een schematische tekening van een potlood met twee doorsneden. Geef hieronder het juiste antwoord:

a)

2 = dwarsdoorsnede, 3 = dwarsdoorsnede

b)

2 = dwarsdoorsnede, 3 = lengtedoorsnede

c)

2 = lengtedoorsnede, 3 = dwarsdoorsnede

d)

2 = lengtedoorsnede, 3 = lengtedoorsnede

36.

Je ziet hier een plantencel.

Wat is nr 4?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Celmembraan

d)

Celwand

e)

Kernmembraan

37.

Je ziet hier een plantencel.

Wat is nr 10?

a)

Bladgroenkorrel

b)

Cytoplasma

c)

Celmembraan

d)

Vacuole

e)

Kernmembraan

38.

Je ziet hier een plantencel.

Wat is nr 9?

a)

Bladgroenkorrel

b)

Cytoplasma

c)

Celmembraan

d)

Vacuole

e)

Kernmembraan

39.

Je ziet hier een cel. Is dit een cel van een plant of van een dier?

a)

Dier

b)

Plant

40.

Welk onderdeel wordt aangegeven met nr. 1?

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Vacuole

d)

Celmembraan

e)

Cytoplasma

41.

Door welk proces neemt het aantal cellen in je lichaam toe?

(a)  

42.

Hoe heet het delen van de kern van een cel?

(a)  

43.

Het maken van extra cytoplasma na het delen van een cel noem je...

(a)  

44.

Hoe heet het stofje waar je erfelijke informatie op staat?

a)

RNA

b)

DNA

c)

WTF

d)

BBQ

e)

NDA

45.

Is een steen...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

46.

Hoeveel procent telt het cijfer van je eerste PW van biologie mee voor je SE-cijfer?

a)

5 %

b)

10%

c)

15%

d)

20%

47.

Het oculair van de microscoop van Henry vergroot 10x. De rode lens vergroot 4x, de gele lens 10x en de blauwe lens vergroot 40x.

Wat is de vergroting wanneer Henry de blauwe lens gebruikt?

a)

40x

b)

100x

c)

400x

d)

1000x

48.

Zie je op deze foto een dier?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Wat

49.

Zie je op deze foto een plant?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Wat

50.

Zit er ruimte tussen de cellen van planten?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Fotosynthese