WorksheetsKlare taal - Les 2 - Zinnen
Total questions: 15
Worksheet time: 30mins
Wat komt er eerst in een gewone zin?
In een gewone zin komt eerst het onderwerp.
In een gewone zin komt eerst het werkwoord.
In een gewone zin komt eerst een punt.
In een gewone zin komt eerst een vraagteken.
Wat komt er eerst in een vraagzin?
In een vraagzin komt eerst het onderwerp.
In een vraagzin komt eerst het werkwoord.
In een vraagzin komt eerst een punt.
In een vraagzin komt eerst een vraagteken.
Wat staat er op het einde van een gewone zin?
Op het einde van een gewone zin staat het onderwerp.
Op het einde van een gewone zin staat het werkwoord.
Op het einde van een gewone zin staat een punt.
Op het einde van een gewone zin staat een vraagteken.
Wat staat er op het einde van een vraagzin?
Op het einde van een vraagzin staat het onderwerp.
Op het einde van een vraagzin staat het werkwoord.
Op het einde van een vraagzin staat een punt.
Op het einde van een vraagzin staat een vraagteken.
Door welk woord kan het woord 'jongen' vervangen?
hij
zij
Door welk woord kan het woord 'meisje' vervangen?
hij
zij
Wat zijn 'hij' en 'zij'?
'Hij' en 'zij' zijn werkwoorden.
'Hij' en 'zij' zijn persoonlijke voornaamwoorden.
Het werkwoord zegt ...
wat iemand doet.
wie iets doet.
Het onderwerp zegt ...
wat iemand doet.
wie iets doet.
Welke uitspraak is juist?
In een vraagzin staat er geen werkwoord.
In elke zin staat er een werkwoord.
In een normale zin staat er geen werkwoord.
Welke uitspraak is juist?
In een vraagzin staat er geen onderwerp.
In elke zin staat er een onderwerp.
In een normale zin staat er geen onderwerp.
Welke uitspraak is juist?
Het onderwerp bestaat altijd uit één woord.
Het onderwerpt kan uit meerdere woorden bestaan.
Het onderwerpt bestaat altijd uit meerdere woorden.
Mevrouw Veerle schrijft op het bord.
'Mevrouw' is het onderwerp.
'Veerle' is het onderwerp.
'Mevrouw Veerle' is het onderwerp.
'Schrijft' is het onderwerp.
Meneer Kris leest een dik boek.
'Meneer' is het werkwoord.
'Kris' is het werkwoord.
'Meneer Kris' is het werkwoord.
'Leest' is het werkwoord.
Hij zit in de bus.
'Hij' is het onderwerp.
'Zit' is het onderwerp.
'Hij' is het werkwoord.
