wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Skelet en botten

Total questions: 44

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Uit welke delen bestaat het skelet?

a)

De botten bovenaan, in het midden en onderaan

b)

De botten van het hoofd, de romp en de ledematen

c)

De dikke en dunne botten

2.

Hoe noemt dit deel van het skelet?

a)

Scheenbeen

b)

Kuitbeen

c)

Hielbeen

3.

Hoe noemt dit deel van het skelet?

a)

Ellepijp

b)

Vingerkootje

c)

Middenhandsbeentje

d)

Handwortelbeentje

4.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

5.

In het onderste deel van het been zitten 2 botten. Welke is het dunste?

a)

Kuitbeen

b)

Scheenbeen

6.
hoe heeft het bot in je bovenarm?
a)
bovenarmbeen
b)
opperarmbeen
c)
bovenbeen
7.

welk bot is dit?

a)

ellepijp

b)

opperarmbeen

c)

schouderblad

d)

spaakbeen

8.

welk bot wordt hier getoond?

a)

ellepijp

b)

opperarmbeen

c)

scheenbeen

d)

spaakbeen

9.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
10.

In het groen zijn de ..... te zien.

a)

Voetwortelbeentjes

b)

Teenkootjes

c)

Middenvoetsbeentjes

11.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
12.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 3?
a)
Heiligbeen
b)
Halswervel
c)
Ribben
d)
Borstbeen
13.
Op welke manier maakt je skelet beweging mogelijk?
a)
Doordat de botten langs elkaar schrapen als je sport
b)
Doordat je spieren aan de botten vastzitten 
c)
Doordat je botten veel energie bevatten
d)
Doordat je skelet bestaat uit kraakbeen en kraakbeen is beweeglijk
14.

Welk bot wordt aangegeven met nummer 6? ( aan de kant van je duim)

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Bovenarmbeen

15.

Welk bot wordt aangegeven met nummer 5? ( aan de kant van je pink)

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Bovenarmbeen

16.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
17.

De onderdelen van je lichaam zijn:

a)

romp, hoofd en ledematen

b)

romp

c)

hoofd en ledematen

d)

ledematen en romp

18.

Hoe heet laatste stukje van je wervelkolom?

a)

staartbeen

b)

heiligbeen

c)

ruggengraat

d)

lendewervels

19.
Wat is je borstkas
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
20.

Je ziet hiernaast het skelet van een mens. Geef de naam van nummer 19.

a)

Dijbeen

b)

Opperarmbeen

c)

Scheenbeen

d)

Knieschijf

21.

Je ziet hiernaast het skelet van een mens. Geef de naam van nummer 25

a)

Borstbeen

b)

Sleutelbeen

c)

Spaakbeen

d)

Schouderblad

22.

Kijk goed naar de afbeelding. De naamgeving van dierlijke skeletten is vergelijkbaar met die van de mens. Wat is de naam van nummer 20?

a)

Dijbeen

b)

Heupbeen

c)

Scheenbeen

d)

Knieschijf

23.

Je ziet hier een afbeelding van een schedel van een mens. Nummer 6 is..

a)

voorhoofdsbeen

b)

wandbeen

c)

onderkaak

d)

bovenkaak

24.

Het skelet van een baby bestaat hoofdzakelijk uit ...

a)

beenweefsel

b)

kraakbeenweefsel

c)

kalk

d)

lijmstof

25.

De botten van bejaarden bevatten meer ...

a)

kraakbeenweefsel

b)

beenweefsel

c)

kalk

d)

lijmstof

26.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
27.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
28.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
29.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
30.
De lendenwervels bevinden zich boven de borstwervels in de wervelkolom
a)
Niet waar
b)
Waar
31.
een functie van het skelet is beweging en vorm geven
a)
juist
b)
onjuist
32.
oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
33.

De knie is een scharniergewricht

a)

Soms

b)

niet juist

c)

Juist

34.

In de wervelkolom zitten vergroeiingen en kraakbeengewrichten

a)

juist

b)

Niet juist

35.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
36.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
37.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
38.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
39.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
40.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
41.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren met dezelfde werking

b)

Willekeurige spieren

c)

Onwillekeurige spieren

d)

Spieren met een tegenovergestelde werking

42.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

43.

Waardoor wordt de knieschijf op zijn plek gehouden?

a)

Gewrichtsband

b)

Meniscus

c)

Gewricht

d)

Naadverbinding

44.

Een ander woord voor armbuigspier is biceps

a)

waar

b)

niet waar