wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ordening alles tl 2 klein

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

welke van de onderstaande groepen is geen domein?

a)

eukaryoten

b)

bacteriën

c)

Archaea

d)

prokaryoten

2.

welke van de onderstaande celkenmerken wordt niet gebruikt bij ordening?

a)

celkernen

b)

celwanden

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

3.

een schimmel heeft geen ...? c

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

cytoplasma

4.

Een dierlijke cel heeft geen ...?

a)

celkern

b)

celwand

c)

cytoplasma

d)

celmembraan

5.

2 dieren behoren tot dezelfde soort als ze ...?

a)

op elkaar lijken

b)

hetzelfde gedrag vertonen

c)

nakomelingen kunnen krijgen

d)

vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

6.

bacteriën planten zich voort door middel van ...?

a)

deling

b)

seksuele bevruchting

c)

fragmentatie

7.

antibiotica is een ....?

a)

infectieziekte

b)

geneesmiddel afkomstig van de penseelschimmel

c)

geneesmiddel gemaakt van bacteriën

8.

gistcellen planten zich voort door middel van ...?

a)

een knop

b)

schimmeldraden

c)

sporen

9.

In welk voedselmiddel zit GEEN schimmelsoort?

a)

brood

b)

wijn

c)

schimmelkaas

d)

chips

10.

varens planten zich voort door middel van ...?

a)

zaden

b)

sporenhoopjes

c)

sporendoosjes

d)

sporenvormende orgaantjes

11.

een mens heeft een ... skelet

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

12.

een zeester is .... symmetrisch

a)

veelzijdig

b)

tweezijdig

c)

niet

13.

Welk kenmerk heeft de groep van de wormen NIET?

a)

een lang en dun lichaam

b)

tweezijdig symmetrisch

c)

geen skelet

d)

leven altijd in de zee

14.

Welke onderstaande groep behoort tot de ongewervelden?

a)

insecten

b)

vissen

c)

vogels

d)

amfibieën

15.

Een zeenaaktslak behoort onder de ...?

a)

zoogdieren

b)

insecten

c)

amfibieën

d)

weekdieren

16.

tot welke stam behoort de kwal?

a)

wormen

b)

neteldieren

c)

weekdieren

d)

geleedpotigen

17.

Een Panda behoort tussen de ...?

a)

hagedissen

b)

amfibieën

c)

zoogdieren

d)

stekelhuidigen

18.

Welke van de stammen is het grootst?

a)

wormen

b)

zoogdieren

c)

geleedpotigen

d)

sponzen

19.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
20.

Bij welke geleedpotige bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Insecten

d)

Duizendpoten

21.

Bij welke afdeling hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Geen van allen

22.

*Twan zegt, dat sommige bacterien voedsel kunnen afbreken en dat ze zich voortplanten d.m.v. deling.

*Jan zegt dat bacterien een celkern hebben.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Beide ongelijk

c)

Twan heeft gelijk

d)

Jan heeft gelijk

23.

Bij welk organisme worden onverteerde voedselresten verwijderd via de celanus?

a)

De amoebe.

b)

Het pantoffeldiertje.

24.

Veel vogels en zoogdieren kunnen in de winter een actief leven leiden.


Hoe kan dat? Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.

a)

Vogels en zoogdieren zijn goed toegerust om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.

b)

Vogels en zoogdieren zijn minder afhankelijk van de omgevingstemperatuur dan andere gewervelden.

c)

Vogels en zoogdieren hebben in de winter meer voedsel tot hun beschikking dan andere gewervelden.

d)

Vogels en zoogdieren zijn warmbloedig.

25.

Determineren is het indelen van organismen in groepen.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een salamander?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

27.

welk van deze dieren leggen eieren met een leerachtige schaal?

a)
b)
c)
d)
28.

Welke van deze dieren is warmbloedig?

a)
b)
c)
d)
29.

Bij welke groep van planten vindt de voortplanting plaats door middel van sporen die ontstaan in hoopjes aan de onderkant van de bladeren?

a)

Bij de bomen

b)

Bij de grassen

c)

Bij de mossen

d)

Bij de varens

30.

Wat is geen nuttige toepassing van een schimmel?

a)

Wordt gebruikt bij broodbereiding

b)

Wordt gebruikt als geneesmiddel

c)

Wordt gebruikt bij het maken van yoghurt

d)

Wordt gebruikt bij het maken van wijn en bier

31.

Bij welke klasse hoort dit dier?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Reptielen

32.

Bij welke stam hoort de kwal?

a)

Holtedieren

b)

Kwallen

c)

Weekdieren

d)

Sponzen

33.

Waar let men op bij de indeling van de geleedpotigen? 2 antwoorden mogelijk.

a)

Waarmee de huid is bedekt

b)

Het aantal poten

c)

Het aantal segmenten

d)

De manier van voortplanten

34.

Bij welke stam is de huid bedekt met stekels of knobbels?

a)

Sponzen

b)

Holtedieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

35.

welke van deze dieren ademt met kieuwen?

a)
b)
c)
d)
36.

Welke van deze dieren is warmbloedig?

a)
b)
c)
d)
37.

Heeft een mestkever een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig skelet

b)

uitwendig skelet

c)

geen skelet

38.

Heeft een slang een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig skelet

b)

uitwendig skelet

c)

geen skelet

39.

Heeft een slak een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig skelet

b)

uitwendig skelet

c)

geen skelet

40.

Heeft een spons een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig skelet

b)

uitwendig skelet

c)

geen skelet

41.

Heeft een kikker een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig skelet

b)

uitwendig skelet

c)

geen skelet

42.

Welke kenmerken heeft dit dier?

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Veelzijdig symmetrisch

c)

Inwendig skelet

d)

Geen skelet

43.

Tot welke stam behoort dit dier en waarom?

a)

Sponzen, omdat hij veelzijdig symmetrisch is en een inwendig skelet heeft.

b)

Holtedieren, omdat hij veelzijdig symmetrisch en een inwendig skelet heeft.

c)

Sponzen, omdat hij niet symmetrisch is en meestal vast zit aan de bodem.

d)

Stekelhuidigen, omdat hij stekels heeft.

44.

In welke twee hoofdgroepen worden organismen ingedeeld?

a)

Een celkern hebben / geen celkern hebben

b)

Een skelet hebben / geen skelet hebben

c)

Het uiterlijk van en organisme / het DNA van een organisme

d)

De leefwijze van een organisme / De vorm van een cel

45.

Als je een grasveld wilt aanmaken dan kun je gras inzaaien. Hebben grassen bloemen?

a)

Dat kun je nu niet concluderen

b)

Ja

c)

Nee

46.

Als je bij een plant vruchten ziet dan weet je: deze plant hoort bij de sporenplanten / zaadplanten !

a)

Sporenplanten

b)

Zaadplanten

47.

Welk type skelet heeft dit dier?

a)

Geen skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Inwendig skelet

48.
Wat wordt gemaakt met behulp van schimmels?
a)
Zuurkool en yoghurt
b)
Yoghurt, medicijnen en wijn
c)
Bier, zuurkool en kaas
d)
Bier, kaas en wijn
49.
Juist of onjuist?
Schimmels worden gebruikt bij het maken van medicijnen.
a)
Juist
b)
Onjuist
50.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Ik begin met 20 bacteriën. Hoeveel heb ik er na een uur?

a)

100

b)

80

c)

120

d)

160

51.
Hiernaast zie je de voortplanting van een organisme weer gegeven in een grafiek. Bij welk rijk zal dit organisme horen?
a)
Planten
b)
Bacteriën
c)
Schimmels
d)
Dieren
52.
Een onderzoeker is organisme aan het bekijken: dit organisme heeft wel een celwand, wel een celkern, maar geen bladgroenkorrels
a)
Plant
b)
Dieren
c)
Bacteriën
d)
Schimmels
53.
Hiernaast zie je verschillende planten in een kast staan. Hoe zien de cellen van deze planten eruit?
a)
wel een celwand, wel een celkern, wel bladgroenkorrels
b)
geen celwand, geen celkern, wel bladgroen
c)
geen celkern, wel een celwand, wel bladgroenkorrels
d)
wel een celkern, geen bladgroenkorrels, wel celwand
54.
Hiernaast zie je twee konijntjes. Hoe zien de cellen van deze konijnen eruit?
a)
geen celkern, wel een celwand, wel bladgroenkorrels
b)
Wel een celkern, geen celwand, wel bladgroenkorrels
c)
geen celkern, geen bladgroenkoreels, geen celwand
d)
wel een celkern, geen celwand, geen bladgroenkorrels
55.
Je ziet hier een kolonie bacteriën. Wat zijn de kenmerken van een bacterie?
a)
wel een celwand, wel een celkern en wel bladgroenkorrels
b)
geen celkern, wel bladgroenkorrels en wel een celwand
c)
wel een celwand, geen bladgroenkorrels en geen celkern
d)
geen celkern,  geen bladgroenkorrels en wel een celwand