wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ontleden

Total questions: 38

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

De ................ held werd wereldberoemd.

a)

gedoodde

b)

gedode

c)

gedoden

d)

gedoodden

2.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


De rode auto reed langs de school.

a)

De

b)

rode

c)

auto

d)

school

3.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


In de kantine kan je de lekkerste broodjes krijgen.

a)

kantine

b)

kan

c)

lekkerste

d)

krijgen

4.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


DJ Martin Garrix is de beste DJ van Nederland.

a)

Martin Garrix

b)

is

c)

beste

d)

Nederland

e)

Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden

5.

Wat is het onderstreepte woord?


Ik ben gisteren een dagje naar zee geweest.

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

d)

Tegenwoordig deelwoord

6.

Voetballen vind ik ook heel leuk.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

7.

Ik heb goed voor de toets geleerd.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

8.

Hij was vorige week ook op dat feestje.

a)

lidwoord

b)

infinitief

c)

voegwoord

d)

voorzetsel

9.

Ik zou graag met hem willen praten, maar ik durf niet.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

lidwoord

c)

voegwoord

d)

voorzetsel

10.

Heb jij het plastic al aan straat gezet?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

11.

Zij heeft een modern schilderij gekocht.

a)

wel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

12.

Mijn vriend heeft mij een zilveren armband gegeven.

a)

wel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

13.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
14.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
15.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
16.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
17.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

18.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

19.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


natuurlijk helpt xavier graag een handje mee.

a)

handje

b)

natuurlijk

c)

helpt

d)

xavier

20.

Vroeger haalde je water uit de pomp

en aan je voet had je een (a)  

21.

Bij ons komt het water uit de kraan

en in de sloot zwemt een (a)  

22.

Met mijn hand aan het stuur,

zet ik de fiets in de s (a)  

23.

Ik vaar op een bootje met een zeil,

en als ik mors pak ik een d (a)  

24.

Wat is de juiste spelling?

a)

snelhijd

b)

snelheid

c)

snelhijt

d)

snelheit

25.

Wat is de juiste spelling?

a)

het aplaus

b)

het applaus

c)

het aplous

d)

het applous

26.

Typ het hele woord goed over. Een ander woord voor middageten is: wij lu (a)  

27.

Typ het hele woord goed over. Zo'n ding om mee schoon te maken noem je een: plu (a)  

28.

Typ het hele woord goed over. Een mannelijke kok is een chef, een vrouwelijke kok noem je een: che (a)  

29.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

Het begin

b)

Wij vragen

c)

Zij bukken

30.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

Zij gunnen

b)

Zij groeien

c)

Gedaan

31.

Welk woord is fout geschreven:

a)

kathedraal

b)

thee

c)

termostaat

d)

methode

32.

Wat is het voegwoord?


Mama vindt dat ik naar de kapper moet, want mijn haar wordt te lang.

(a)  

33.

Voor welk woord hoort een komma?


Mijn buurman is een kunstenaar daarom is hij goed in van alles verzinnen.

(a)  

34.

Voor welk woord hoort een komma?


Hij wil een tunnel maken maar niet voor auto's of zo!

(a)  

35.

Kies het juiste werkwoord.


Ik .... het eten.

a)

bereid

b)

berijd

c)

bereidt

d)

berijdt

36.

Kies het juiste werkwoord.


Het recept .... wat ik moet doen.

a)

vermeld

b)

vermeldt

37.

Kies het juiste werkwoord.


De boerenkool .... in de pan.

a)

beland

b)

belandt

38.

Kies het juiste werkwoord.


Maar dan .... ik mijn hand aan de hete pan.

a)

verbrand

b)

verbrandt