wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 - Waarnemen - mnr

Total questions: 51

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Een zintuig zet prikkels om in ...

a)

een waarneming

b)

andere prikkels

c)

impulsen

d)

zenuwen

2.

'Zien' is een zintuig. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

De lens in het oog van Pietje is bol. Kijkt Pietje nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?

a)

Ver weg

b)

Dichtbij

4.

Waar in je huid zitten tastzintuigcellen?

a)

Alleen in je vingers

b)

In je vingers en voeten

c)

In je bovenlichaam

d)

Alle bovenstaande antwoorden

5.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
6.

De prikkels voor het gehoorzintuig zijn luchttrillingen. In welke volgorde worden de trillingen doorgegeven in het oor?

a)

Gehoorgang - oorschelp - gehoorbeentjes - trommelvlies - slakkenhuis

b)

Oorschelp - trommelvlies - gehoorgang - gehoorbeentjes - slakkenhuis

c)

Oorschelp - gehoorgang - trommelvlies - slakkenhuis - gehoorbeentjes

d)

Oorschelp - gehoorgang - trommelvlies - gehoorbeentjes - slakkenhuis

7.

Bij proeven ontvangen de hersenen informatie van ....

a)

Alleen smaakzintuigen

b)

Alleen het reukzintuig

c)

Alleen van smaakpapillen

d)

Zowel smaakzintuigen als het reukzintuig

8.

Wat behoort niet tot het zenuwstelsel?

a)

Reukzenuw

b)

Hersenen

c)

Gehoorzintuig

d)

Ruggenmerg

9.

Wat kun je met je zintuigen doen?

a)

informatie uit je omgeving zien

b)

informatie uit je omgeving waarnemen

c)

informatie uit je omgeving horen

10.

Elk zintuig is gevoelig voor

a)

dezelfde prikkel

b)

veel prikkels

c)

één eigen prikkel

d)

geen prikkel

11.

Welke antwoorden zijn een voorbeeld van prikkels? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Licht en geur

b)

Pijn en geluid

c)

Huid en tong

d)

Smaakzintuig en reukzintuig

12.
Een impuls gaat door je zenuwen naar
a)
je zintuigen
b)
je botten
c)
je spieren
d)
je hersenen
13.

Alle zenuwen in je benen komen samen in

a)

je spieren

b)

de hersenen

c)

het ruggenmerg

d)

je skelet

14.
Je neemt pas waar als de impulsen
a)
in je hersenen zijn aangekomen
b)
onderweg zijn naar je hersenen
c)
in je ruggenmerg zijn aangekomen
d)
in je spieren zijn aangekomen
15.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
16.
Je beslist hoe je reageert met
a)
je zintuigen
b)
je impuls
c)
je prikkel
d)
je hersenen
17.

wie of wat maken een impuls?

a)

Zintuigcellen

b)

Zintuigen

c)

Zenuwen

d)

Zenuwcellen

18.

In welk orgaan zitten de meeste soorten zintuigen?

a)

Huid

b)

Ogen

c)

Oren

d)

Neus

19.

Wat is de goede volgorde van prikkel naar gedrag? (GOED LEZEN!)

a)

Smaakprikkel > impuls via zenuw > prikkeling zintuigen > bewustwording in hersenen > impuls via zenuw > gedrag door spier/klier

b)

Smaakprikkel > prikkeling zintuigen > bewustwording in hersenen > impuls via zenuw > gedrag door spier/klier

c)

Smaakprikkel > prikkeling zintuigen > impuls via zenuw > bewustwording in hersenen > impuls via zenuw > gedrag door spier/klier

d)

Smaakprikkel > impuls via zenuw > prikkeling zintuigen > impuls via zenuw > gedrag door spier/klier

20.

Nummer 6, 7 en 8 zijn samen de?

a)

Gehoorgang

b)

Oorschelp

c)

Gehoorbeentjes

d)

Gehoorzenuw

21.

De zintuigcellen zitten in ?

a)

Trommelholte

b)

Trommelvlies

c)

Slakkenhuis

d)

Gehoorgang

22.

De gehoorbeentjes geven de trillingen door aan/

a)

Trommelvlies

b)

Slakkenhuis

c)

Gehoorgang

d)

Oorsmeerkliertjes

23.

In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:

a)

Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies

b)

Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies

c)

Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies

d)

Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam

24.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
25.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 1? 
a)
lens
b)
hoornvlies
c)
harde oogrok
26.
Er wordt met een camera een foto gemaakt van een iris. Door het felle flitslicht trekken de kringspieren in de iris zich samen.
Verandert dan de grootte van de pupil?
a)
Nee
b)
Ja, de pupil wordt groter.
c)
Ja, de pupil wordt kleiner.
27.
Bij oudere mensen vermindert soms het gezichtsvermogen doordat de gele vlek wordt aangetast.

In welk gebied bevindt zich de genoemde aantasting? (afbeelding)
a)
gebied 1
b)
gebied 2
c)
gebied 3
28.
Twee delen van het oog zijn het hoornvlies en het glasachtig lichaam. Welke delen zijn doorzichtig?
a)
Geen van beide
b)
Hoornvlies
c)
Glasachtig lichaam
d)
Zowel het hoornvlies als het glasachtig lichaam
29.

Als je in de verte kijkt is je lens dan plat of bol?

a)

Plat

b)

Bol

30.

Het oog krijgt belangrijke stoffen via het..

a)

Harde oogvlies

b)

Vaatvlies

c)

Netvlies

d)

Hoornvlies

31.

Met welk deel wordt traanvocht geproduceerd?

a)

deel 2

b)

deel 6

c)

deel 1

d)

deel 4

32.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

33.

met welke zintuigen in je oog kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

pupil

b)

kegeltjes

c)

staafjes

34.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

35.

Wat is de functie van het ooglid?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog.

36.

Wat is nummer 5?

a)

De oogzenuw

b)

De pupil

c)

Het harde oogvlies

d)

Het glasachtig lichaam

37.

Als je verziend bent dan ....

a)

Zie je van dichtbij niet scherp

b)

Zie je ver weg niet scherp

38.

Waar in het lichaam vindt je de volgende zintuigen: warmte-, koude-, druk-, en tastzintuigen.

a)

in de spieren

b)

in de hersenen

c)

in de huid

d)

in je handen

39.

Het zenuwstelsel bestaat o.a. uit het centrale zenuw stelsel. Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Hersenen, ruggenmerg en zenuwen

c)

Ruggenmerg en zenuwen

d)

Hersenen en zenuwen

40.

Waar in je lichaam wordt je je bewust van de dingen die je waarneemt?

Zoals de geur van friet, of de kleur van het stoplicht.

a)

in je zintuigen: die in je ogen, oren, neus, mond en huid zitten.

b)

in je zenuwen

c)

in je spieren

d)

in je hersenen

41.

A) Je hersenen kunnen impulsen ontvangen (vanuit je zintuigen)

B) Je hersenen kunnen impulsen zenden ( naar al je lichaamsdelen)

a)

Alleen A is waar

b)

Alleen B is waar

c)

A en B zijn waar

d)

A en B zijn niet waar

42.

Waar in je lichaam kunnen pijnpunten voorkomen?

a)

In de huid en dieper gelegen organen

b)

Alleen in de huid

c)

In de huid en de spieren

43.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
44.

Welke zintuig reageert op de adequate prikkel 'licht'?

a)

Oor

b)

Oog

c)

neus

d)

huid

45.
Bij welk plaatje is je oog ontspannen?
a)
A want, daar kijk je dichtbij en zijn de lensbandjes ontspannen
b)
B want, daar kijk je verweg en zijn de lensbandjes gespannen
c)
B want, daar kijk je dichtbij en zijn de lensbandjes gespannen
d)
A want, daar kijk je verweg en zijn de lensbandjes ontspannen 
46.
Wat is de functie van de buis van Eustachius?
a)
Zo kan viezigheid weg als er ziektes komen
b)
Dat is de verbinding van trommelholte met de keelholte, zo kan er lucht uit als er teveel druk op je oren zit. 
c)
Zo kan er vocht in je oor komen dat is handig want dan heeft je oor altijd genoeg vocht.
d)
Zo wordt blijft het trommelvlies soepel door aanvoering van smeer.
47.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
48.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
49.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
50.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
51.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien