Font size
WorksheetsVerleden tijd, zwakke werkwoorden 3
Total questions: 20
Worksheet time: 2hrs 40mins
Afgelopen donderdag (a) (knuffelen, vt) Rens zijn zusje.
Gisteren (a) (kleuren, vt) ik een mooie kleurplaat.
Vroeger (a) (reizen, vt) de mensen met een paardenkar.
Ik (a) (leven, vt) tot voor kort in Duitsland.
Afgelopen week (a) (fluisteren, vt) je onder alle lessen.
Lies (a) (poetsen, vt) gisteren vaak over je zus.
Jij (a) (praten, vt) gisteren vaak over je zus.
Bilal (a) (kennen, vt) gisteren het hele liedje al.
Ik (a) (openen, vt) het pakje gisteren al.
Jij (a) (redden, vt) afgelopen week veel dieren.
Vorig jaar (a) (voelen, vt) ik me vaak ziek.
Gisteren (a) (begroeten, vt) ik de dierenarts.
Toen (a) (filmen, vt) ik mijn moeder op haar werk.
Boris (a) (dromen, vt) toen over de elfjes.
Toen (a) (branden, vt) ik mijn tong aan de thee.
De werknemers (a) (verwarmen, vt) toen het hele gebouw.
Vorig jaar (a) (begroeten, vt) Jayden de burgemeester.
Afgelopen zomer (a) (leven, vt) jij al twaalf jaar.
Martin (a) (leren, vt) toen hij 4 was om zijn veters te strikken.
Je (a) (breien, vt) gisteren een mooie doek.
