Worksheetsafronding unité 4 havo 3 21-22
Total questions: 24
Worksheet time: 18mins
Geef de vertaling van het volgende woord:
avoir peur
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
tomber
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
se faire mal
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
je suis crevé
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
le saut
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
le poids
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
glijden
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
vliegen
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
vinden
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
vermoeiend
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
opruimen
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
inderdaad
(a)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
un ... sac à dos ... (blanc).
(a)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
Les (a) parents .. . (gentil)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
La ... sœur... . (petit)
(a)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
Les ... voitures ... . (vert)
(a)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
Les ... amies ... (sportif)
(a)
Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.
Neem het zelfstandig naamwoord ook over!
un ... casse-cou ... (nouveau)
(a)
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Les parents entrent vite dans la voiture.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Le voyage dure plus longtemps.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Marie et Claire sont des filles créatives.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Marc a une très bonne idée. On va à la piscine.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Ella a bien lu la recette!
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?
Mon cousin habite dans un nouveau appartement.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
