Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

afronding unité 4 havo 3 21-22

Total questions: 24

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Geef de vertaling van het volgende woord:

avoir peur

(a)  

2.

Geef de vertaling van het volgende woord:

tomber

(a)  

3.

Geef de vertaling van het volgende woord:

se faire mal

(a)  

4.

Geef de vertaling van het volgende woord:

je suis crevé

(a)  

5.

Geef de vertaling van het volgende woord:

le saut

(a)  

6.

Geef de vertaling van het volgende woord:

le poids

(a)  

7.

Geef de vertaling van het volgende woord:

glijden

(a)  

8.

Geef de vertaling van het volgende woord:

vliegen

(a)  

9.

Geef de vertaling van het volgende woord:

vinden

(a)  

10.

Geef de vertaling van het volgende woord:

vermoeiend

(a)  

11.

Geef de vertaling van het volgende woord:

opruimen

(a)  

12.

Geef de vertaling van het volgende woord:

inderdaad

(a)  

13.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

un ... sac à dos ... (blanc).

(a)  

14.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

Les (a)   parents .. . (gentil)

15.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

La ... sœur... . (petit)

(a)  

16.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

Les ... voitures ... . (vert)

(a)  

17.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

Les ... amies ... (sportif)

(a)  

18.

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plek.

Neem het zelfstandig naamwoord ook over!

un ... casse-cou ... (nouveau)

(a)  

19.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Les parents entrent vite dans la voiture.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

20.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Le voyage dure plus longtemps.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

21.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Marie et Claire sont des filles créatives.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

22.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Marc a une très bonne idée. On va à la piscine.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

23.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Ella a bien lu la recette!

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord

24.

Is het onderstreepte woord een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord?


Mon cousin habite dans un nouveau appartement.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Bijwoord