Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SO Grammatica/spelling H4

Total questions: 32

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Hoe kun je controleren of een woord een voorzetsel is?

Tip: je kunt het woord vaak voor een ander woord zetten... Welk woord ook alweer?

(a)  

2.

Wat zijn de voorzetsels in deze zin:

De lieve kinderen botsten tijdens het grote feest op de blauwe trampoline tegen elkaar.

a)

lieve

b)

tijdens

c)

grote

d)

tegen

3.

Wat zijn de voorzetsels in deze zin:

Zonder een goede keeper in de goal levert ieder schot een prachtig doelpunt op.

a)

zonder

b)

goede

c)

in

d)

ieder

e)

lekker

4.

Welk woord is 'jaar' in deze zin?

Elk jaar valt de dag van de uitvinders in november.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

5.

Welk woord is 'van' in deze zin?

Elk jaar valt de dag van de uitvinders in november.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

6.

Welk woord is 'valt' in deze zin?

Elk jaar valt de dag van de uitvinders in november.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

7.

Welk woord is 'november' in deze zin?

Elk jaar valt de dag van de uitvinders in november.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

8.

Welk woord is 'volwassen' in deze zin?

Die kinderachtige jongens hebben het gevoel dat ze volwassen zijn.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

9.

Welk woord is 'kinderachtige' in deze zin?

Die kinderachtige jongens hebben het gevoel dat ze volwassen zijn.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

10.

Welk woord is 'gevoel' in deze zin?

Die kinderachtige jongens hebben het gevoel dat ze volwassen zijn.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

c)

Voorzetsel (vz)

d)

Werkwoord (ww)

11.

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de onderstaande zin:

De Schotse man vond zijn handige uitvinding geen groot succes.

(a)  

12.

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de onderstaande zin:

Die kleine tas is eigenlijk best ruim.

(a)  

13.

Welk woord is géén voorzetsel?

a)

gedurende

b)

tijdens

c)

verder

d)

naar

14.

Welk woord is géén bijvoeglijk naamwoord?

a)

snel

b)

groen

c)

Syrisch

d)

tijdens

15.

Ik snap wat voorzetsels zijn.

a)

Eens

b)

Niet eens

16.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord 'sporten' in de verleden tijd in deze zin:

Vroeger ... mijn broer en ik altijd samen.

(a)  

17.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord 'belanden' in de verleden tijd in deze zin:

Ik ... onderaan op de ranglijst.

(a)  

18.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord 'leven' in de verleden tijd in deze zin:

Wij ... vroeger in een ander land.

(a)  

19.

Hoe heten de twee puntjes op een letter, zoals in het woord 'categorieën'?

(a)  

20.

Wat is het meervoud van melodie?

a)

Melodieën

b)

Melodiën

21.

Wat is het meervoud van ree?

a)

Reën

b)

Reeën

22.

Wat is het meervoud van curry?

a)

Currys

b)

Curry's

23.

Wat is het meervoud van olie?

a)

Oliën

b)

Olieën

24.

Wat is het meervoud van idee?

a)

Ideën

b)

Ideeën

25.

Ik snap wat een bijvoeglijk naamwoord is.

a)

Ja

b)

Nee

26.

Als de stam van een werkwoord eindigt op één van de medeklinkers uit 'T KOFSCHIP dan schrijf je de verleden tijd van het werkwoord met een...

a)

T

b)

D

27.

Op welke letter eindigt de stam van het werkwoord 'beleven'?

a)

V

b)

F

28.

Wat is de stam van 'reizen'?

(a)  

29.

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

Een zelfstandig naamwoord is ALTIJD of een mens, of een dier, of een ding.

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Een zelfstandig naamwoord is niet altijd een mens, dier of ding. Dit kan een zelfstandig naamwoord ook zijn (meerdere antwoorden zijn mogelijk):

a)

plant

b)

naam

c)

begrip

32.

Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden?

a)

Eindhoven

b)

Sarah

c)

liefde

d)

respect

e)

leerlingen