wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid (klas 2)

Total questions: 24

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Iemand heeft het genotype Aa. Deze persoon is ...

a)

homozygoot

b)

heterozygoot

2.

Als twee ouders heterozygoot zijn voor een eigenschap (dus Aa). Hoe groot is dan de kans dat zij een kind krijgen met aa?

a)

100%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

3.

Zo worden de twee allelen per eigenschap die je hebt gekregen ook wel genoemd?

a)

Genotype

b)

Fenotype

4.

Het onderdrukte allel wordt ook wel .... genoemd

a)

dominant

b)

recessief

5.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

6.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

Nee, dat verandert nooit

7.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

8.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

9.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

10.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

11.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

Alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

12.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

13.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
14.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

15.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

DNA

d)

Milieu

16.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot dominant

b)

Heterozygoot recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot recessief

17.

In de afbeelding hieronder is de stamboom van een familie gegeven waarin de ziekte agammaglobulinemie voorkomt. Lijders aan deze erfelijke ziekte zijn verhoogd vatbaar voor infecties. Het gen dat deze ziekte veroorzaakt is .....

a)

dominant

b)

recessief

c)

niet af te leiden

18.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee

19.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

man

b)

vrouw

20.

De ziekte van Huntington is een erfelijke aandoening die bepaalde delen van de hersenen aantast. Hieronder is van twee verschillende personen een chromosomenpaar afgebeeld. De genen die bepalen of iemand de ziekte van Huntington wel of niet heeft, zijn aangegeven met letters.Is het gen voor de ziekte van Huntington dominant of recessief? Of is dit niet uit de gegevens op te maken?

a)

Het gen is dominant

b)

Het gen is recessief

c)

Dat kun je niet uit de gegevens opmaken

21.

Brandnetels

Bij de brandnetel komt een factor voor die de vorming van bladgroen onderdrukt. Heterozygote individuen maken nog maar 1/3 van de totale hoeveelheid bladgroen. Ze groeien langzaam. Homozygoot recessieve individuen sterven spoedig af, omdat ze niet genoeg bladgroen kunnen vormen. Welk deel van de F2 kan weinig tot geen bladgroen maken als de ouders beide heterozygoot zijn?

a)

1/4

b)

1/2

c)

1/3

d)

3/4

22.

Kleurenblindheid

Vader en moeder zijn geen van beide kleurenblind (een X-chromosomale eigenschap), maar Sam wel. Wat kun je hieruit afleiden over Sam?

a)

Dat Sam een meisje is en dat haar vader heterozygoot is voor deze eigenschap.

b)

Dat Sam een meisje is en dat haar moeder heterozygoot is voor deze eigenschap.

c)

Dat Sam een jongetje is en dat zijn vader heterozygoot is voor deze eigenschap.

d)

Dat Sam een jongetje is en dat zijn moeder heterozygoot is voor deze eigenschap.

23.

Aandoeningen

Bij een bepaalde familie komt een aandoening voor. De stamboom van de familie is hieronder getekend.

Leg uit of de aandoening dominant of recessief is (2p).

Leg uit of de aandoening X-chromosomaal is (2p).

4 lines
24.

Katten

Bij katten wordt de vachtkleur onder andere bepaald door een X-chromosomaal allelenpaar met een allel voor rode vacht en een allel voor zwarte vacht. Poezen kunnen een rode vacht hebben, een schildpadvacht of een zwarte vacht. Schildpadvacht is het intermediaire fenotype. Een poes met een schildpadvacht paart met een rode kater.

Leg uit hoe groot de kans is dat hun twee dochters een schildpadvacht hebben (2p)?

4 lines