wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test 2 kaaskop uit de dop

Total questions: 75

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

88

a)

achtenachtig

b)

achtentachtig

c)

achtentwintig

d)

achtentig

2.

493

a)

vierenhonderdnegenendertig

b)

vierhonderdnegenendertig

c)

vierhonderddrieënnegentig

d)

honderdenvierdrieënnegentig

3.

6343

a)

zesduizend driehonderddrieënveertig

b)

zesduizend honderdendrieënveertig

c)

zestuizent driehonderddrieënveertig

d)

drieënzestighonderd drieënveertig

4.

sprookje betekend:

a)

flower

b)

tissue

c)

ghost

d)

fairy tale

5.

apenstaartje

a)

monkey tail

b)

beard

c)

at sign

d)

butterfly

6.

lieveheersbeestje

a)

ladybugs

b)

kitchen tool

c)

nail polish

d)

caterpiller

7.

wat is dit?

a)

brood

b)

broodje

c)

boterham

d)

bolletje

8.

wat is dit?

a)

beschuit met hagelslag

b)

koekje met suiker

c)

cracker met muisjes

d)

beschuit met muisjes

9.

wat is dit?

a)

taart

b)

oranje tompoes

c)

tompoes

d)

gebakje

10.

wat is het tegenovergestelde van:

zout

a)

zoet

b)

bitter

c)

zuur

d)

sappig

11.

wat is niet het tegenovergestelde van:

dun

a)

dik

b)

mollig

c)

vet

d)

slank

12.

wat is het tegenovergestelde van:

dun

a)

mager

b)

stevig

c)

slank

d)

mollig

13.

het tegenovergestelde van makkelijk:

(a)  

14.

het tegenovergestelde van interessant:

(a)  

15.

het tegenovergestelde van gezond:

(a)  

16.

het tegenovergestelde van mooi:

(a)  

17.

het tegenovergestelde van slim:

(a)  

18.

het tegenovergestelde van duur:

(a)  

19.

leuk of lekker? een ____ broek

a)

leuke

b)

lekkere

c)

lekker

d)

leuk

20.

leuk of lekker? een ____ broodje

a)

lekkere

b)

lekker

c)

leuke

d)

leuk

21.

leuk of lekker? een ____ café

a)

lekker

b)

lekkere

c)

leuk

d)

leuke

22.

leuk of lekker? een ____ film

a)

lekkere

b)

lekker

c)

leuke

d)

leuk

23.

leuk of lekker? een ____ding

a)

lekkere

b)

lekker

c)

leuk

d)

leuke

24.

broer van je vrouw

a)

vader

b)

zwager

c)

oom

d)

schoonbroer

25.

moeder van je moeder

a)

tante

b)

opa

c)

oma

d)

nicht

26.

zoon van je oom

a)

schoonzoon

b)

nicht

c)

neef

d)

halfbroer

27.

vriendin van je zoon

a)

nicht

b)

schoondochter

c)

zus

d)

halfdochter

28.

Parents in Dutch:

(a)  

29.

Neighbours in Dutch:

(a)  

30.

Roommate in Dutch:

(a)  

31.

wat is dit?

a)

patatje pinda

b)

patatje speciaal

c)

patatje oorlog

d)

patatje met

32.

wat is dit?

a)

frikandel

b)

loempia

c)

bamischijf

d)

bitterbal

33.

Hoe zeg je NIET, keep the change?

a)

houd de verandering

b)

laat de rest maar zitten

c)

het is goed zo

d)

de rest is voor jou

34.

Hoe zeg je NIET, it's in offer?

a)

2 halen 1 betalen

b)

het is in de aanbieding

c)

ze zijn in de reclame

d)

het is in offerte

35.

waar haal je GEEN paracetamol?

a)

drogist

b)

apotheek

c)

supermarkt

d)

slijterij

36.

'to cry' in Dutch?

(a)  

37.

'to tell' in Dutch?

(a)  

38.

'to sing' in Dutch?

(a)  

39.

'to pay' in Dutch?

(a)  

40.

'to travel' in Dutch?

(a)  

41.

lichaamsdelen, hoe heet dit?

(a)  

42.

lichaamsdelen, hoe heet dit?

(a)  

43.

lichaamsdelen, hoe heet dit?

(a)  

44.

lichaamsdelen, hoe heet dit?

(a)  

45.

welke symptoom zie je?

a)

duizelig

b)

misselijk

c)

verkouden

d)

spierpijn

46.

welke symptoom zie je?

a)

hoofdpijn

b)

misselijk

c)

rugpijn

d)

griep

47.

welke symptoom zie je?

a)

kater

b)

zwanger

c)

verkouden

d)

misselijk

48.

vertaal: be silent

(a)  

49.

vertaal: don't disturb

(a)  

50.

vertaal: come here

(a)  

51.

vertaal: let's go

(a)  

52.

wat is de emotie?

(a)  

53.

wat is de emotie?

(a)  

54.

wat is de emotie?

(a)  

55.

wat is het juiste antwoord?

Hoe lang duurt de reis?

a)

morgen

b)

voor een uur

c)

3 uur

d)

5 jaar

56.

wat is het juiste antwoord?

Hoe ga je naar werk?

a)

van de trein

b)

naar de bus

c)

met de fiets

d)

met het vliegtuig

57.

Hoe reis je naar Groningen?

a)

met de bus en trein

b)

met het vliegtuig

c)

met de fiets

d)

met de auto

58.

wat is de juiste volgorde?

a)

morgen fietsen we samen naar school

b)

we morgen fietsen samen naar school

c)

we samen fietsen naar school morgen

d)

fietsen samen morgen we naar school

59.

wat is de juiste volgorde?

a)

normaalgesproken we eten brood in de middag

b)

normaalgesproken eten we brood in de middag

c)

we eten normaalgesproken brood in de middag

d)

we brood in de middag normaalgesproken eten

60.

wat is de juiste volgorde?

a)

omdat ik ben ziek, drink ik geen alcohol

b)

ik drink geen alcohol, omdat ik ziek ben

c)

ik drink geen alcohol, omdat ik ben ziek

d)

omdat ik ziek ben, drink ik geen alcohol

61.

wat is de juiste volgorde?

a)

nadat ik gesport heb, neem ik een douche.

b)

ik heb gesport, nadat ik een douch neem.

c)

ik neem een douche, nadat ik gesport heb.

d)

nadat ik gesport heb, ik neem een douche

62.

hoe heten deze huizen?

a)

twee onder één kap

b)

grachtenpand

c)

rijtjeshuis

d)

woonboerderij

63.

hoe heten deze huizen?

a)

woonboederij

b)

flatwoning

c)

twee onder één kap

d)

rijtjeshuis

64.

scheidbare werkwoorden:

welke zin is correct?

a)

Kijkt je uit voor wilde zwanen

b)

je moet voor wilde zwanen uitkijken

c)

je moet kijk voor wilde zwanen uit

d)

je kijk uit voor wilde zwanen

65.

scheidbare werkwoorden:

welke zin is correct?

a)

ik maak de relatie met mijn vriend uit.

b)

ik uitmaak de relatie met mijn vriend uit.

c)

ik maak uit de relatie met mijn vriend.

d)

ik de relatie met mijn vriend uitmaken.

66.

scheidbare werkwoorden:

welke zin is correct?

a)

ik ben mij omgekleed

b)

ik heb mij omgekleed

c)

ik heb mij geomkleed

d)

ik ben mij geomkleed

67.

onscheidbare werkwoorden:

welke zin is correct?

a)

de weerman voorspelt regen

b)

de weerman spelt regen voor

c)

de weerman moet regen voorspelt

d)

de weerman voorgespelt regen

68.

onscheidbare werkwoorden:

welke zin is correct?

a)

anna heeft een ruzie voorgekomen

b)

anna kwam een ruzie voor

c)

anna heeft een ruzie voorkomen

d)

anna kwam voor een ruzie

69.

Hoe heet 'the starter' in het Nederlands?

(a)  

70.

Hoe heet 'the main course' in het Nederlands?

(a)  

71.

Wat is geen gebruikt woord voor dessert?

a)

nagerecht

b)

toetje

c)

sapje

d)

dessert

72.

wat ze je als iemand is overleden?

a)

gefeliciteerd

b)

gecondoleerd

c)

beterschap

d)

sterkte

73.

wat zeg je als iemand jarig is?

a)

gefeliciteerd met je verjaardag

b)

gefeliciteerd met je diploma

c)

van harte

d)

gefeliciteerd met je huis

74.

Wat zeg je als iemand erg ziek is.

a)

veel sterkte

b)

beterschap

c)

van harte

d)

fijn weekend

75.

wanneer eten we beschuit me muisjes?

a)

bij de geboorte

b)

op een verjaardag

c)

op een bruiloft

d)

op een begrafenis