Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsles 3de trimester 2Aplus

Total questions: 39

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de coëfficiënt van de volgende eenterm?

9a²b³

(a)  

2.

Wat is het lettergedeelte van de volgende eenterm?

-2xy³

(a)  

3.

Wat is de coëfficiënt van de volgende eenterm?

-x³y²

(a)  

4.

Wat is het cijfergedeelte van de volgende eenterm?

6a³b

(a)  

5.

Wat is de coëfficiënt van de volgende eenterm?

x

(a)  

6.

Bereken de getalwaarde van de volgende eenterm.

12at2          voor a = 74   en t = 52\frac{1}{2}at^2\ \ \ \ \ \ \ \ \ \ voor\ a\ =\ \frac{7}{4}\ \ \ en\ t\ =\ \frac{5}{2}  

(a)  

7.

Bereken de getalwaarde van de volgende veelterm.

−m2+2p−3     met m=−5  en p=7-m^2+2p-3\ \ \ \ \ met\ m=-5\ \ en\ p=7  

(a)  

8.

Reken de bewerkingen met eentermen uit.

ab−3ab+ab+4ab=ab-3ab+ab+4ab=  

(a)  

9.

Reken uit:

2a⋅5b22a\cdot5b^2  

(a)  

10.

Reken uit:

2x3−3x2+5x2=2x^3-3x^2+5x^2=  

(a)  

11.

Reken uit:

(−2x3)2=\left(-2x^3\right)^2=  

(a)  

12.

Reken uit:

−(−8x)2=-\left(-8x\right)^2=  

(a)  

13.

Reken uit. Herleid en rangschik.

3x⋅(−4x−7)=3x\cdot\left(-4x-7\right)=  

(a)  

14.

Reken uit. Herleid en rangschik.

(5x2+6x+8)+(7x2−x−3)=\left(5x^2+6x+8\right)+\left(7x^2-x-3\right)=  

(a)  

15.

Reken uit. Herleid en rangschik.

(1+9x)⋅(10−2x)=\left(1+9x\right)\cdot\left(10-2x\right)=  

(a)  

16.

Reken uit. Herleid en rangschik.

−(3a2−a+6)+(5a2−3a+12)=-\left(3a^2-a+6\right)+\left(5a^2-3a+12\right)=  

(a)  

17.

Reken uit. Herleid en rangschik.

(2x+7)⋅3x=\left(2x+7\right)\cdot3x=  

(a)  

18.

Reken uit. Herleid en rangschik.

7x⋅(2x−8)=7x\cdot\left(2x-8\right)=  

(a)  

19.

Reken uit met merkwaardige producten.

(a−2)⋅(−a−2)=\left(a-2\right)\cdot\left(-a-2\right)=  

(a)  

20.

Reken uit met merkwaardige producten.

(3x−2)2=\left(3x-2\right)^2=  

(a)  

21.

Reken uit met merkwaardige producten.

(−a−8)2=\left(-a-8\right)^2=  

(a)  

22.

Reken uit met merkwaardige producten.

(−3a−1)⋅(−3a+1)=\left(-3a-1\right)\cdot\left(-3a+1\right)=  

(a)  

23.

Reken uit met merkwaardige producten.

(x−5)⋅(x+5)=\left(x-5\right)\cdot\left(x+5\right)=  

(a)  

24.

Bereken de hoekgrootte van hoek D in ruit ABCD.

(a)  

25.

Bereken de hoekgrootte van  in ruit ABCD.

(a)  

26.

Vul aan. Een parallellogram met even lange diagonalen is een ...

(a)  

27.

Vul aan. Een vierhoek met even lange overstaande zijden is een ...

(a)  

28.

Vul aan. Een parallellogram met een rechte hoek is een ...

(a)  

29.

Vul aan. Een parallellogram met diagonalen die loodrecht op elkaar staan is een ...

(a)  

30.

Vul aan. Een vierhoek met 4 even lange zijden en even lange diagonalen is een ...

(a)  

31.

Waar of niet waar?

Als de diagonalen in een vierhoek even lang zijn, dan is die vierhoek een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Waar of niet waar?

Een parallellogram met twee even lange opeenvolgende zijden is een ruit.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Als een vierhoek één paar even lange zijden en één paar evenwijdige zijden heeft, dan is dat een parallellogram.

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Waar of niet waar?

Een rechthoek met even lange diagonalen is een vierkant.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Welk congruentiekenmerk is dit?

(a)  

36.

Wat is geen congruentiekenmerk?

a)

ZZZ

b)

ZZH

c)

ZHZ

d)

HZH

37.

Welk congruentiekenmerk is dit?

(a)  

38.

Welk congruentiekenmerk is dit?



(a)  

39.

Welk congruentiekenmerk is dit?



(a)