wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ONTW P1.2 Schoolkind opdr. 0 t/m 5

Total questions: 26

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Een kind met overgewicht wordt daarmee soms gepest.

a)

persoonlijkheidsontwikkeling

b)

cognitieve ontwikkeling

c)

sociale ontwikkeling

2.

Kinderen met overgewicht hebben vaak een laag zelfbeeld.

a)

persoonlijkheidsontwikkeling

b)

cognitieve ontwikkeling

c)

sociale ontwikkeling

3.

Kinderen hebben volwaardige voeding nodig om zich goed te kunnen concentreren.

a)

persoonlijkheidsontwikkeling

b)

cognitieve ontwikkeling

c)

sociale ontwikkeling

4.

De oorzaak van te weinig bewegen is vooral dat kinderen te vaak achter de tv en computer zitten.

a)

juist

b)

onjuist

5.

Een heel kleine onbalans in energie die binnenkomt en wordt verbruikt, leidt niet tot overgewicht.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Kinderen met overgewicht hebben nu en op latere leeftijd meer kans op diabetes en kanker.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Kinderen met overgewicht eten meestal te veel boterhammen.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Ongeveer één op de tien kinderen heeft overgewicht.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Veel producten hebben een gezond imago, maar zijn dat niet.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Het goed onderscheid kunnen maken tussen wat waar is en niet waar, wat kan en niet kan, noem je...

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realiteitsdenken

11.

Het kind is goed in staat om te zien wat de oorzaak en wat het gevolg van iets is. Dit noem je...

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realiteitsdenken

12.

Het denken over zaken die niet direct waarneembaar zijn en ook niet rechtstreeks ervaren worden, noem je...

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realiteitsdenken

13.

Ruud (9 jaar) schrijft in zijn schrift: Ruud Jansen, St. Jacobsstraat 216, Arnhem, Gelderland, Nederland, Europa, Wereld, Aarde.

Welke wijze van denken komt in wat Ruud schrijft naar voren?

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realistisch denken

14.

De ouders van Nima (9 jaar) gaan scheiden. Ze vertelt erover op school. Andere kinderen reageren betrokken. Die ochtend is het opvallend stil in de klas. 'Juf, waarom ga je scheiden als je geen ruzie hebt?' vraagt Nima aan het eind van de ochtend aan de leerkracht.

Welke wijze van denken komt in de situatie naar voren?

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realiteitsdenken

15.

In groep 7 staat op het bord de som ¼ + ½ = . Ernaast zijn twee cirkels (taart) getekend. Bij de ene is de halve taart gekleurd en bij de tweede taart een kwart.

Welke twee manieren van denken komen in deze situatie naar voren?

a)

abstract denken

b)

logisch denken

c)

realiteitsdenken

16.

Wat is het tegenovergestelde van:

abstract denken

a)

creatief denken

b)

magisch denken

c)

concreet denken

d)

animistisch denken

17.

Wat is het tegenovergestelde van:

logisch denken

a)

creatief denken

b)

magisch denken

c)

concreet denken

18.

Wat is het tegenovergestelde van:

realiteitsdenken

a)

creatief denken

b)

magisch denken

c)

concreet denken

19.

De basisschool brengt het kind cognitieve kennis en vaardigheden bij. Niet ieder kind leert even gemakkelijk.

Welke term wordt hiervoor gebruikt?

a)

leervermogen

b)

leerbehoefte

c)

leergeschiktheid

d)

leergedrag

20.

Verandert bijles de leergeschiktheid van een kind?

a)

Ja, ze worden met meer les ook meer geschikt voor het onderwijs.

b)

Nee, bijles verandert niet dat een kind makkelijker leert.

21.

Taakgericht werken houdt bij een kind van 6 jaar wel wat anders in dan bij een kind van 12. Bij een 12-jarige mag een taak...

a)

moeilijker zijn

b)

langer duren

c)

minder gesloten zijn

d)

met meer creativiteit

22.

Kinderen gaan graag naar school, vinden het bijvoorbeeld leuk wanneer ze voor het eerst ‘Engelse les’ krijgen.

Heeft dit te maken met leergierigheid / prestatiegericht?

a)

ja

b)

nee

23.

Als ze een nieuw schrift krijgen, doen ze over het algemeen hun best om zo netjes mogelijk te schrijven.

Heeft dit te maken met leergierigheid / prestatiegericht?

a)

ja

b)

nee

24.

Op de bso krijgen alle ontwikkelingsgebieden aandacht. Welke term kun je daarvoor gebruiken?

a)

brede ontwikkeling

b)

actieve ontwikkeling

c)

creatieve ontwikkeling

d)

sociale ontwikkeling

e)

cognitieve ontwikkeling

25.

Sommige kinderen doen veel succeservaringen op, bij andere kinderen mislukt veel. Als bij een kind veel mislukt, kan hij compensatiegedrag gaan vertonen.

a)

Dat een kind bij alles dat hij doet, gaat doen alsof hij beter is dan anderen.

b)

Dat een kind de dingen die hij niet zo goed kan, probeert ‘goed te maken’ met zaken waarin hij wel goed is.

c)

Dat een kind overal een wedstrijdje van gaat maken om te weten wie de beste is.

d)

Dat een kind zich in alle situaties aanpast aan anderen om niet op te vallen.

26.

Wat is NEGATIEF compensatiegedrag?

a)

De lolbroek/clown spelen in de klas.

b)

Erg je best doen bij handvaardigheid.

c)

Andere kinderen erger gaan pesten en treiteren.

d)

Alle vrije tijd steken in voetbal met als doel gescout te worden.

e)

Proberen zo groot mogelijke vuurwerkbommen te maken.