wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 planten en dieren

Total questions: 48

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het woord Biologie

a)

De leer van dieren

b)

De leer van het leven

c)

Het vak van het leven

d)

Planten en dieren

2.

Kruis alle levenskenmerken aan

a)

Ademhalen

b)

Huilen

c)

Voeden

d)

Waarnemen

e)

Lopen

3.

Mensen, dieren en planten zijn ...

(a)  

4.

Wat is een ander woord voor gedaanteverwisseling?

4 lines
5.

Een omgevallen boom is...

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

6.

Wat is groeien?

a)

Het langer en zwaarder worden van een organisme

b)

Het zwaarder worden van een organisme

c)

Het groter en zwaarder worden van een organisme

d)

Het langer en breder worden van een organisme

7.

wat is de functie van de zaadhuid?

a)

Water opnemen

b)

Beschermen van het zaad

c)

Helpt de zaad bij het kiemen

d)

Het heeft geen functie

8.

Veranderingen in de bouw van een organisme noemen we

a)

Groeien

b)

Aanpassen

c)

Ontwikkeling

d)

Ziekte

9.

Een mensenleven bestaat uit ... fasen

a)

6

b)

7

c)

8

d)

9

10.

Kinderen van 4 tot 6 jaar noemen we...

a)

Peuters

b)

Kleuters

c)

Schoolkind

11.

Wat is motorische ontwikkeling?

4 lines
12.

Kruis alle aanpassingen aan leven in het water aan

a)

Gestroomlijnd lichaam

b)

Koudbloedig

c)

Vinnen

d)

Kieuwen

13.

waterplanten hebben zonlicht nodig

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Een snavel die goed is voor stukken vlees scheuren is een

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

15.

Op wat voor manieren verschillen zoolgangers, teengangers en topgangers van elkaar?

4 lines
16.

Welke levensverschijnselen vertoont een plant?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Voortplanten

d)

Uitscheiden

17.

Wat zijn wel levenskenmerken?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ontwikkelen

d)

Voortplanten

e)

Waarnemen

18.

water is

a)

Levenloos

b)

dood

19.

Het groter en zwaarder worden van een organisme heet

a)

Ontwikkelen

b)

groeien

20.

De (a)   is een witte plek op een zaadje waarmee deze vastzat aan de plant.

21.

Via het (a)   gaat water het zaadje in, daardoor kan de kiem in het zaadje gaan kiemen.

22.

In de (a)   zitten voedingsstoffen voor de groeiende kiemplant.

23.

Waar of niet waar? Een levenscyclus van een plant eindigt als de zaden gemaakt zijn om een nieuwe levenscyclus te starten.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Verandering in de bouw (uiterlijk) van een organisme heet

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

25.

Een ander woord voor metamorfose is (a)  

26.

Een volwassen kikker haalt adem door

a)

Longen

b)

De huid

c)

Inwendige kieuwen

d)

Uitwendige kieuwen

27.

Een kind leert fietsen. Deze manier van ontwikkeling heet

a)

Geestelijke ontwikkeling

b)

Lichamelijke ontwikkeling

c)

Motorische ontwikkeling

28.

Welke levensfase bij de mens duurt gemiddeld van 12 tot 16 jaar?

a)

Adolescent

b)

Schoolkind

c)

Puber

29.

De eerste groeispurt vindt plaats in deze fase:

a)

Puber

b)

Baby

c)

Schoolkind

d)

Peuter

30.

Dieren die door het water moeten zwemmen hebben vaak een speciale vorm om minder weerstand van het water te hebben. Deze vorm heet (a)  

31.

Wat is een aanpassing van een landplant?

a)

Drijven

b)

Diepe wortels

c)

Niet stevige stengel

32.

Deze soort snavel komt voor bij roofvogels

a)

Kegelsnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Priemsnavel

d)

Haaksnavel

33.

Een paard is een

a)

Teenganger

b)

Zoolganger

c)

Topganger

34.
Iets wat  geleefd heeft ,noemen we .....
a)
levend
b)
levenloos
c)
dood
d)
bewegend
35.
Deze houten tafel is.....
a)
Levend
b)
Levenloos
c)
dood
d)
geen van de genoemde 3
36.
Deze spiegel is.......
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van de genoemde 3
37.
Dit gebakken eitje is.......
a)
levend
b)
dood
c)
levenloos
d)
geen van de genoemde 3
38.
Op de afbeelding zie je een voorbeeld van ......
a)
een natuurgetrouwe tekening van een bloem
b)
een schematische tekening van een bloem
39.
Wat betekend biologie?
a)
De leer van het leven
b)
De leer van de aarde
c)
De leer van het menselijk lichaam
d)
Een schoolvak heeft geen betekenis
40.
Wat is geen levenskenmerk?
a)
Voeden
b)
Bewegen
c)
Slapen
d)
Voortplanten
41.
Uit een kiem groeit een nieuwe plant.
a)
Waar
b)
Niet waar
42.
De zaadhuid beschermt de navel van een bruine boon.
a)
Waar
b)
Niet waar
43.
Hoeveel zaadlobben heeft een bruine boon?
a)
één
b)
twee
c)
drie
d)
vier
44.

Een organisme is een levend wezen.

a)

ja

b)

nee

45.

Als een boom elk jaar groeit en zwaarder wordt, noem je dat ontwikkeling.

a)

ja

b)

nee

46.

Als je een hond uitlaat, dan gaat hij op zoek naar de geur van andere honden. Als de hond die geur geroken heeft, dan plast hij ook op die plek.

Welke twee levenskenmerken horen hierbij?

a)

groeien en waarnemen

b)

uitscheiden en voortplanten

c)

uitscheiden en waarnemen

d)

voortplanten en groeien

47.

Een bruine boon kan water opnemen door het poortje.

a)

ja

b)

nee

48.

Met welk nummer is de navel aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4