wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloed, bloedsomloop en het hart

Total questions: 50

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
2.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
3.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
4.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
5.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
6.
De stoffen zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide zitten in?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes 
d)
Bloedplasma
7.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
8.
Op welke plaats of plaatsen kan zuurstof  voorkomen?
a)
A en B
b)
B en C
c)
A en C
9.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
10.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
11.
Zuurstofrijk bloed gaat naar het hart via de....
a)
Longslagader
b)
Longader
c)
Longhaarvat
d)
Aorta
12.
Hoe heet onderdeel D in deze figuur?
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
13.

In de afbeelding zie je het hart met longen en een aantal bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noem je de bloedsomloop. Welke bloedsomloop zie je in deze afbeelding?

a)

Grote bloedomloop

b)

Kleine bloedsomloop

c)

Geen bloedsomloop

14.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

15.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

16.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

17.

Hoe noemen we deel 2?

a)

longslagader

b)

longader

c)

aorta

d)

holle ader

18.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

19.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

20.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
21.
In de animatie zie je 
a)
de buik- of middenrifademhaling
b)
de borstademhaling
c)
allebei
d)
geen van beide
22.

Bij de inademing gaan de ribben en het middenrif omhoog?

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol binnen ons afweersysteem tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

24.

Een molecuul koolstofdioxide bij de mens wordt via de leverader afgevoerd en door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

25.

Via de kransslagaders stroomt bloed naar het hartspierweefsel en via de kransaders stroomt het bloed er weer uit. Daarna gaat dit bloed verder door het lichaam.

In welk deel van het hart zal dit bloed vervolgens als eerste komen?

a)

rechterboezem

b)

rechterkamer

c)

linkerboezem

d)

linkerkamer

26.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

27.

Welke naam heeft nummer 3 ?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

28.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

29.

Iemand heeft een ziekte waardoor zijn rode bloedcellen helemaal niet of niet goed hun werk meer kunnen doen. Waar kan deze persoon allemaal last van hebben?

a)

niet snel moe, veel energie om dingen te doen

b)

snel moe, maar wel genoeg energie om dingen te doen.

c)

snel moe en weinig energie om dingen te doen

d)

niet snel moe, maar ook niet genoeg energie om dingen te doen.

30.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

31.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

32.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

33.

In welk deel van de bloedsomloop zal de zuurstof concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

longader

c)

poortader

d)

holle ader

34.

In welk deel van de bloedsomloop zal de glucose concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

poortader

d)

darmader

35.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

36.

Het bloed in een kransslagader van de mens wordt vergeleken met dat in een kransader wat betreft glucosegehalte en de stroomrichting.


In welk bloedvat is het glucosegehalte het hoogst? In welke richting stroomt dit bloed?

a)

in een kransslagader; naar het hartspierweefsel toe

b)

in een kransslagader; van het hartspierweefsel af

c)

in een kransader; naar het hartspierweefsel toe

d)

in een kransader; naar het hartspierweefsel af

37.

Via de kransslagaders stroomt bloed naar het hartspierweefsel en via de kransaders stroomt het bloed er weer uit. Daarna gaat dit bloed verder door het lichaam.

In welk deel van het hart zal dit bloed vervolgens als eerste komen?

a)

rechterboezem

b)

rechterkamer

c)

linkerboezem

d)

linkerkamer

38.

Over bloedvaten van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

beide juist

b)

beide onjuist

c)

alleen 1 is juist

d)

alleen 2 is juist

39.

Rode bloedcellen krijgen hun rode kleur door een bepaald stofje. Door deze stof worden de rode bloedcellen niet alleen rood, maar kunnen ze ook makkelijk zuurstof opnemen.

Hoe heet deze stof?

(a)  

40.

In de afbeelding zie je het hart met longen en een aantal bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noem je de bloedsomloop. Welke bloedsomloop zie je in deze afbeelding?

a)

Grote bloedomloop

b)

Kleine bloedsomloop

c)

Geen bloedsomloop

41.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

42.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

43.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

44.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
45.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
46.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
47.

In ons lichaam zit veel bloed, maar waarom hebben we bloed nodig?

a)

Om warm te blijven maar ook om af te koelen

b)

Voor het leveren van voedingsstoffen en het afvoeren van afvalstoffen

c)

Voor het bestrijden van ziektes

d)

Alle antwoorden zijn goed.

e)

Voor het transport van zuurstof naar al onze organen

48.

Bloed bestaat uit vloeistof en bloedcellen. Welke bloedcellen ken je?

a)

rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes

b)

rode bloedcellen en witte bloedcellen

c)

rode bloedcellen en bloedplaatjes

d)

witte bloedcellen en bloedplaatjes

49.

Op het plaatje staan twee buisjes. 1 met vers bloed en 1 buisje wat al een paar dagen staat. Kun jij zien in welke buis vers en in welke buis oud bloed zit?

a)

Links is het oude bloed en rechts is het verse bloed

b)

rechts is het oude bloed en links is het verse bloed

c)

volgens mij maakt het geen verschil

d)

ik weet het niet

50.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader