wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 leerjaar 1 basisstof 1-6

Total questions: 49

Worksheet time: 47mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een orgaan?

a)

Een torso

b)

Een organisme met taken

c)

Een deel van een organisme met een eigen taak

d)

Een organenstelsel

2.

Bekijk de afbeelding. Je ziet een menselijk lichaam. Welke kleur heeft het vierkant om de torso?

a)

blauw

b)

geel

c)

groen

d)

rood

3.

Een groep organen die samenwerken aan een taak, heet een organenstelsel. In dit hoofdstuk heb jij kennis gemaakt met 3 soorten organenstelsels. Kijk naar de afbeelding. Onder de organenstelsels staan nummer. Welk organenstelsels verteerd je voedsel?

a)

nummer 1, het verteringsstelsel

b)

nummer 2, het bloedvatenstelsel

c)

nummer 3, ademhalingsstelsel

4.

Een groep organen die samenwerken aan een taak, heet een organenstelsel. In dit hoofdstuk heb jij kennis gemaakt met 3 soorten organenstelsels. Elk organenstelsel heeft dus een taak. Kijk naar de afbeelding. Onder de organenstelsels staan nummer. Welke taak heeft het organenstelsel bij nummer 2?

a)

Je voedsel verteren

b)

De voedingsstoffen uit je dunne darm halen

c)

Bloed vervoeren door je lichaam

d)

Ademhalen

5.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt er aangegeven bij nummer 1?

(a)  

6.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt er aangegeven bij nummer 4?

a)

slokdarm

b)

bloedvat

c)

bronchie

d)

longblaasje

7.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt er aangegeven bij nummer 2?

(a)  

8.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt er aangegeven bij nummer 3?

a)

kleine holle aders

b)

Bronchie en aorta

c)

Hartkamer

d)

Aorta

9.

Hoe noem je een groep organen die samenwerken?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

bloedvatenstelsel

c)

verteringsstelsel

d)

orgaanstelsel

10.

Bij een praktische opdracht ga je zelf aan de slag. je maakt bijvoorbeeld een broodje, maakt een preparaat of doet een proef. Bij een praktische opdracht werk je volgens een vast stappenplan.

Zet de stappen in de juiste volgorde:


a wat moet je voorbereiden?

b wat is het doel?

c hoe ging het?

d aan de slag!

a)

a - b - c - d

b)

b - a - d - c

c)

d - a - b - c

d)

a - b - d - c

11.

lees de onderstaande tekst:


Je leest de opdracht goed door, bekijkt precies wat je moet doen.


Bij welke stap van het stappenplan hoort dit?

a)

Wat moet je voorbereiden?

b)

wat is het doel?

c)

aan de slag!

d)

Hoe ging het?

12.

lees de onderstaande tekst:


Uit welke mogelijkheden kun je kiezen? Welke informatie heb je nodig? Waar kun je die informatie vinden? Welke producten en materialen heb je nodig?


Bij welke stap van het stappenplan hoort dit?

a)

Wat is het doel?

b)

Hoe ging het?

c)

Aan de slag!

d)

Wat moet je voorbereiden?

13.

Als je goed samenwerkt met je klasgenoten dan luister je naar elkaar, houd je rekening met elkaar en elkaars meningen, spreek je goed af wat de de taakverdeling is en help je elkaar zo veel mogelijk. Soms gaat samenwerken niet goed en dan heb je iets op te merken over iemand. Hoe kan je dit het beste doen?

a)

Met de jij-boodschap

b)

Met de ons-boodschap

c)

door kritiek te geven

d)

Met de ik-boodschap

14.

Als je goed samenwerkt met je klasgenoten dan luister je naar elkaar, houd je rekening met elkaar en elkaars meningen, spreek je goed af wat de de taakverdeling is en help je elkaar zo veel mogelijk. Soms gaat samenwerken niet goed en dan heb je iets op te merken over iemand. Dit heet kritiek geven.


Bekijk de afbeelding. Is dit wel of niet een goede manier van kritiek geven?

a)

Niet

b)

Wel

15.

Als je goed samenwerkt met je klasgenoten dan luister je naar elkaar, houd je rekening met elkaar en elkaars meningen, spreek je goed af wat de de taakverdeling is en help je elkaar zo veel mogelijk. Soms gaat samenwerken niet goed en dan heb je iets op te merken over iemand. Dit heet kritiek geven. Bekijk de afbeelding. Is dit wel of niet een goede manier van kritiek geven?

a)

Wel

b)

Niet

16.

Als je goed samenwerkt met je klasgenoten dan luister je naar elkaar, houd je rekening met elkaar en elkaars meningen, spreek je goed af wat de de taakverdeling is en help je elkaar zo veel mogelijk. Soms gaat samenwerken niet goed en dan heb je iets op te merken over iemand. Dit heet kritiek geven. Bekijk de afbeelding. Is dit wel of niet een goede manier van kritiek geven?

a)

Niet

b)

Wel

17.

Planten hebben net als mensen organen. Wat zijn de organen van een plant?

a)

blad, bloem, hart en stengel

b)

blad, bloem, knop en wortel

c)

blad, zaad, bloem, stengel en wortel

d)

blad, bloem, stengel en wortel

18.

De wortels van een plant groeien in de grond. Hoe heten alle wortels samen?

a)

organenstelsel

b)

wortelstelsel

c)

hoofdwortels

19.

Hoe heet de wortel bij nummer 1?

(a)  

20.

Hoe heten de wortels bij nummer 2

(a)  

21.

Hoe heet de wortel bij nummer 3?

(a)  

22.

Wat zijn de drie taken van wortels?

a)

de plant vastzetten in de grond

b)

reservervoedsel opslaan

c)

insecten lokken

d)

water met voedingsstoffen opnemen

e)

voedsel maken door fotosythese

23.

In de winter heeft een paardenbloem geen bladeren en bloemen. maar onder de grond leeft de wortel nog. In de lente kan uit die wortel snel een plant groeien. Wat voor een voedsel gebruikt de paardenbloem daarvoor?

a)

Voedingstoffen uit de grond

b)

Reservevoedsel uit de wortel

c)

Reservevoedsel uit de grond

24.

Op de afbeelding zie je alle onderdelen van een blad. De taak van bladeren is voedsel maken voor de plant. Hoe heet dit?

(a)  

25.

Hoe heet het onderdeel van een blad bij nummer 1?

(a)  

26.

Hoe heet het onderdeel van een blad bij nummer 3?

(a)  

27.

Hoe heet het onderdeel van een blad bij nummer 4?

(a)  

28.

Tussen de wortels en de bladeren van een plant zitten de stengels. De stengels van een plant zijn stevig. Daardoor kunnen ze de bladeren en de bloemen dragen. Klopt dit?

a)

ja

b)

nee

29.

Naast het dragen van bloemen en bladeren hebben de stengels nog een taak. Dit is het vervoer van water met voedingsstoffen. Klopt dit? Ja of nee?

a)

nee

b)

ja

30.

Kijk naar de afbeelding. De stengels vervoeren water en andere stoffen. Het vervoer door een stengel kun je zien met een proef. Welke bloem staat het langst in het gekleurde water en waar kan je dit aan zien?

a)

nummer 1, want de bloem is nog mooi wit

b)

nummer 2, want het water is minder geworden

c)

Nummer, 2 want het water is minder geworden en de bloemblaadjes zijn rood geworden. De stengels hebben het gekleurde water opgenomen, hierdoor is de bloem ook rood.

31.

Door een stengel lopen lange dunne buisjes. Deze buisjes heten vaten. Klopt dit? Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

32.

Vaak liggen de vaten in planten in groepjes bij elkaar. Hoe noemen we dit?

(a)  

33.

Waar lopen de vaten in een plant? Bekijk de afbeelding

a)

Bij nummer 1

b)

Bij nummer 1 en 2

c)

Bij nummer 3 en 2

d)

Bij nummer 1, 2 en 3

34.

Bekijk de afbeelding. Hoe heet het onderdeel van een microscoop bij nummer 11?

(a)  

35.

Bekijk de afbeelding. Hoe heet het onderdeel van een microscoop bij nummer 7?

a)

Tubus

b)

Oculair

c)

Revolver

d)

diafragma

36.

Hiermee kun je de afstand tussen de tafel en objectief snel veranderen. Welk nummer op de afbeelding is dit en hoe heet dit onderdeel van de microscoop?

a)

nummer 11 de grote schroef

b)

nummer 10 de kleine schroef

c)

nummer 9 het statief

d)

nummer 10 de grote schroef

37.

Boven in de microscoop zit een oculair. Daar staat meestal een vergroting op. Aan de revolver zitten verschillende objectieven. ook op de objectieven staat een vergroting. De oculair en het objectief geven dus samen de totale vergroting. Hoe kun je dit uitrekenen?

a)

vergroting oculair : vergroting objectief = totale vergroting

b)

vergroting objectief x vergroting objectief = totale vergroting

c)

vergroting oculair x vergroting objectief = totale vergroting

d)

vergroting objectief + vergroting oculair = totale vergroting

38.

Wat is de totale vergroting op de afbeelding? Kies de oculair met de blauwe cirkel en het objectief met de rode cirkel.

(a)  

39.

Bekijk de afbeelding. Wat is juiste volgorde bij het werken met een microscoop?

a)

b - c - e - a - d

b)

a - d - b - c - e

c)

d - a - b - c - e

d)

c - e - b - a - d

40.

Wat zijn de bouwstenen van een organisme?

a)

Bloedvaten

b)

celplasma

c)

celmembraam

d)

cellen

41.

Cellen zijn erg klein. Wat heb jij nodig om een cel goed te kunnen bekijken?

(a)  

42.

Op de afbeelding zie je een plaatje van een dierlijke cel. Hoe het het onderdeel van een dierlijke cel bij nummer 1?

(a)  

43.

Op de afbeelding zie je een plaatje van een dierlijke cel. Hoe het het onderdeel van een dierlijke cel bij nummer 2?

(a)  

44.

Op de afbeelding zie je een plaatje van een dierlijke cel. Hoe het het onderdeel van een dierlijke cel bij nummer 3?

(a)  

45.

Waaruit bestaat een dierlijke cel voor het grootste deel en wat is het?

a)

Celkern, die regelt alles wat er in een cel gebeurd

b)

Celplasma, dit is een dunne vloeistof met zuurstof

c)

Celplasma, dit is een dikke vloeistof van water met opgeloste stoffen

d)

Celmembraam, dit is een dun vlies dat zuurstof en water door laat in de cel

46.

Dieren bestaan uit heel veel cellen. klopt dit? Ja of nee?

a)

Ja

b)

Nee

47.

Een mens is een dier, maar toch heeft een mens geen dierlijke cellen. Klopt dit? Ja of nee?

a)

Nee

b)

ja

48.

Het celmembraam regelt alles wat er in een cel gebeurd. Klopt dit? Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

49.

Bestaan een ijzeren emmer uit cellen? Ja of nee?

a)

ja, want alles bestaat uit cellen

b)

nee, want een steen is geen organisme