wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbindingen 2022/2023

Total questions: 54

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om mijn prooien te vangen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

zonnedauw (vleesetende plant)

2.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om mijn nest te bouwen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

hagedissen

3.

Klik de organisme(n) aan die lijm op de volgende manier gebruiken:


Ik gebruik lijm om op de zelfde plaats te blijven staan of om me te verplaatsen.

a)

spinnen

b)

mosselen

c)

zwaluwen

d)

wespen

e)

hagedissen

4.

Mensen zijn ook dieren en gebruiken ook lijm. Waarvoor gebruiken mensen lijm?


Klik het juiste antwoord aan.

a)

lijm zorgt voor stevigheid in botten

b)

lijm zorgt voor buigzaamheid in botten

c)

lijm zorgt ervoor dat spieren aan botten vastzitten

d)

lijm zorgt ervoor dat pezen aan botten vastzitten

5.

Klik de juiste antwoorden aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten breken sneller dan die van mijn kleindochters.

b)

Mijn botten breken minder snel dan die van mijn kleindochters.

c)

Mijn botten zijn flexibeler dan die van mijn kleindochters.

d)

Mijn botten zijn minder flexibel dan die van mijn kleindochters.

6.

Klik het juiste antwoord aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar weinig lijmstoffen.

b)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

c)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

d)

Mijn botten bevatten geen kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

e)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

7.

Klik de juiste antwoorden aan over de botten van prinses Beatrix.

a)

Mijn botten breken sneller dan die van mijn oma.

b)

Mijn botten breken minder snel dan die van mijn oma.

c)

Mijn botten zijn flexibeler dan die van mijn oma.

d)

Mijn botten zijn minder flexibel dan die van mijn oma.

8.

Klik het juiste antwoord aan over de botten van de jongste prinses Ariane.

a)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar weinig lijmstoffen.

b)

Mijn botten bevatten weinig kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

c)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten, maar geen lijmstoffen.

d)

Mijn botten bevatten geen kalkzouten, maar veel lijmstoffen.

e)

Mijn botten bevatten veel kalkzouten en veel lijmstoffen.

9.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

10.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

11.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

12.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

13.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

14.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

15.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

16.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

17.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

18.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

19.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

20.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

21.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

22.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

23.

Klik de juiste manier aan waarop de voorwerpen op de afbeelding met elkaar verbonden zijn.

a)

Vormverbinding

b)

Voorwerpverbinding

c)

Materiaalverbinding

24.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

25.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

26.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

27.

Tik de naam van de knoop aan die je op de afbeelding ziet.

a)

platte knoop

b)

dubbele vissermanknoop

c)

stropdasknoop

d)

armbandknoop

28.

Tik de vorm(en) aan die botten stevig maken.

a)

Een bot dat hol is.

b)

Een bot met een boog erin.

c)

Een bot dat niet hol is.

d)

Een bot zonder boog erin.

29.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

30.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

31.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

32.

Typ de naam van de beenverbinding die je op de afbeelding ziet.

(a)  

33.

Typ de naam van onderdeel 1 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

34.

Typ de naam van onderdeel 2 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

35.

Typ de naam van onderdeel 3 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

36.

Typ de naam van onderdeel 4 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

37.

Typ de naam van onderdeel 5 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

38.

Typ de naam van onderdeel 6 die aangegeven is in de afbeelding van het gewricht.

(a)  

39.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 1 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

40.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 3 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

41.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 4 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

42.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 5 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

43.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 6 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kraakbeenlaagje

44.

Klik het de juiste naam aan van onderdeel 6 van het gewricht op de afbeelding.

a)

gewrichtskom

b)

gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer

d)

gewrichtskapsel

e)

kapselband

45.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

46.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

47.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

48.

Tik de verbinding aan waarmee de botten op de afbeelding mee verbonden zijn.

a)

gewrichten

b)

naadverbinding

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

49.

Welk bindmiddel heb je gebruikt bij het maken van de pasteitjes om ervoor te zorgen dat alle ingrediënten met elkaar verbonden zijn?

a)

bloem

b)

kastanje champignons

c)

bouillon

d)

peterselie

50.

Typ een ander woord voor skelet.

(a)  

51.

Typ een ander woord voor botten.

(a)  

52.

Typ een ander woord voor: armen en benen.

(a)  

53.

Klik de juiste functies van het skelet aan.

a)

stevigheid

b)

vorm

c)

bescherming

d)

beweging

54.

Klik de onderdelen van een stroomkring aan.

a)

draad

b)

lampje

c)

batterij

d)

potlood