wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

WACO3: Thema 1: mengsels en zuivere stoffen (1)

Total questions: 29

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Het synoniem voor stoffen is (a)  

2.

De toestand/ fasen waarin stoffen zich kunnen bevinden. (vast/vloeistof/gas)

(a)  

3.

Bij een glas cola is het glas een ...

Duid de juiste aggregatietoestand aan.

a)

vloeistof

b)

vaste stof

c)

gas

4.

Bij een glas cola zijn de bubbels...

Duid de juiste aggregatietoestand aan.

a)

vloeistof

b)

vaste stof

c)

gas

5.

Bij een glas cola is de cola...

Duidt de juiste aggregatietoestand aan.

a)

vloeistof

b)

vaste stof

c)

gas

6.

°C, m, cm, l … zijn allemaal voorbeelden van grootheden.

a)

juist

b)

fout

7.

Welke van onderstaande zijn stofeigenschappen?

a)

Kleur

b)

Smeltpunt

c)

Massa

d)

Dichtheid

8.
Citroenzuur smaakt zuur
a)

Wel een stofeigenschap

b)

Geen stofeigenschap

9.
Kurk drijft op water
a)

Wel een stofeigenschap

b)

Geen stofeigenschap

10.

Water kookt bij 100 graden Celcius

a)

Wel een stofeigenschap

b)

Geen stofeigenschap

11.
Een plastic bekertje weegt 40 gram
a)

Wel een stofeigenschap

b)

Dit is een voorwerpseigenschap

12.
Wat is geen stofeigenschap?
a)

grootte

b)

magnetisme

c)

kleur

d)

geur

13.
Brandbaarheid is een stofeigenschap.
a)
waar
b)
niet waar
14.
Geef een voorbeeld van een stof die je kan herkennen aan de geur.
a)
IJzer
b)
Steen
c)
Vuur
d)
Benzine
15.
De rode kleur van een stalen schommel
a)

Wel een stofeigenschap

b)

Geen stofeigenschap

16.

Wat is GEEN stofeigenschap?

a)

Dichtheid

b)

Kleur

c)

Brandbaarheid

d)

Lengte

17.

Wat geeft dit gevarensymbool (pictogram) aan? De stof is?

a)

Schadelijk

b)

Giftig

c)

Ontvlambaar

d)

Bijtend

18.

Ijs neemt .... plaats in als water

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

d)

kunnen we niet weten

19.

Duid alle voorwerpen aan

a)

Fiets

b)

Tafel

c)

Glas

d)

Vork

20.

Duid alle stoffen aan

a)

Glas

b)

Ijzer

c)

Melk

d)

Cola

21.

Zout is een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

22.

Welke definitie past bij chemie?

a)

De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de samenstelling van stoffen.

b)

De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van levende organismen.

c)

De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van het evenwicht en de beweging van objecten.

23.

Wat betekent dit symbool?

a)

explosief

b)

ontvlambaar

c)

brandbevorderend

d)

gassen onder druk

24.

Wat betekent dit symbool?

a)

schadelijke stoffen

b)

Bijtend

c)

giftig

25.

Wat betekent dit symbool?

a)

Schadelijk voor de gezondheid

b)

dodelijk

c)

giftig

26.

Deze lijm is ...

a)

irriterend en explosief

b)

giftig en ontvlambaar

c)

irriterend en ontvlambaar

d)

giftig en explosief

27.

ontkalker en bleekmiddel zijn beide ....

a)

irriterend

b)

corrosief

c)

gassen onder druk

d)

giftig

28.

De blauw gearceerde zinnen zijn voorbeelden van...

a)

H-zinnen

b)

P-zinnen

29.

De blauw gearceerde zinnen zijn voorbeelden van...

a)

P-zinnen

b)

H-zinnen