wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lees mee Les 5

Total questions: 50

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het synoniem van

vanaf

a)

het hapje

b)

de reden

c)

heerlijk

d)

sinds

2.

Wat is het synoniem van

gewild, veel mensen vinden dit leuk

a)

het vlees

b)

populair

c)

veganistisch

d)

vegetarisch

3.

Wat is het synoniem van

kun je kopen?

a)

de concurrentie

b)

de formule

c)

te koop zijn

d)

tegenover

4.

Wat is het synoniem van

persoon van wie iets is?

a)

open staan voor iets

b)

de eigenaar

c)

populair

d)

de concurrentie

5.

Wat is het synoniem van

vragen stellen?

a)

last hebben van

b)

uit eten gaan

c)

bezig zijn met

d)

interviewen

6.

Wat is het synoniem van

cafetaria, eethuisje met gefrituurd voedsel?

a)

het restaurant

b)

de snackbar

c)

het hapje

d)

veganistisch

7.

Wat is het synoniem van

stukjes dier dat mensen eten?

a)

veganistisch

b)

vegetarisch

c)

het vlees

d)

de kip

8.

Wat is het synoniem van

kleine maaltijd?

a)

het voorgerecht

b)

het nagerecht

c)

het hoofdgerecht

d)

het hapje

9.

Wat is het synoniem van

zonder vlees?

a)

de kaas

b)

veganistisch

c)

vegetarisch

d)

Foe Jong Hai

10.

Wat is het synoniem van

aan de andere kant van?

a)

oversteken

b)

tegenover

c)

de achterkant

d)

de buitenkant

11.

Vul het goede woord in: Het is niet druk, er staat maar één ____ in de winkel.

a)

alternatief

b)

product

c)

klant

d)

de enige

12.

Vul het goede woord in: Ui lust ik echt niet, maar aardappels vind ik _______!

a)

vegetarisch

b)

heerlijk

c)

de formule

d)

alternatief

13.

Vul het goede woord in: Ik ben jarig en heb geen zin om te koken. Zullen we _____________?

a)

experimenteren

b)

uit eten gaan

c)

last hebben van

d)

een plan maken

14.

Vul het goede woord in: De Aldi heeft een slimme ________. Ze halen hun producten niet uit de doos, dat kost minder geld.

a)

concurrentie

b)

alternatief

c)

formule

d)

te koop zijn

15.

Vul het goede woord in: Stefan eet geen dierlijke producten, hij eet _________.

a)

veganistisch

b)

vegetarisch

c)

heel veel vis

d)

elke dag een ei.

16.

Vul het goede woord in: Jane draagt vaak jurken, die niemand anders draagt. Spijkerbroeken draagt ze nooit. Jane is _________.

a)

open staan voor iets

b)

veganistisch

c)

alternatief

d)

een experiment

17.

Vul het goede woord in: Ik vind het leuk om nieuwe dingen te proberen. Ik ___________________.

a)

ben alternatief

b)

heb er last van

c)

sta er open voor

d)

ga uit eten

18.

Vul het goede woord in: Je hebt niet geleerd voor de toets? Welke _________ heb je daarvoor?

a)

mogelijk zijn

b)

reden

c)

waanzinnig

d)

plan

19.

Vul het goede woord in: Wat maken jullie veel lawaai! Iedereen vindt dat vervelend en _____________.

a)

vindt het mogelijk

b)

is ermee bezig

c)

heeft er last van

d)

laat ze er vrij in

20.

Vul het goede woord in: In Oostpoort heb je een Albert Heijn en je Jumbo. Zij zorgen voor ___________. Ze willen allebei veel geld verdienen.

a)

het gastenboek

b)

concurrentie

c)

verkopen

d)

de eigenaar

21.

Schrijf op wat het is.

unieke persoon

(a)  

22.

Schrijf op wat het is.

slagen, een succes worden

(a)  

23.

Schrijf op wat het is.

geroosterd schapenvlees

(a)  

24.

Schrijf op wat het is.

heel goed

(a)  

25.

Schrijf op wat het is.

werken aan

(a)  

26.

Schrijf op wat het is.

iets ruilen voor geld

(a)  

27.

Schrijf op wat het is.

idee, opzet, wat je wilt doen

(a)  

28.

Schrijf op wat het is.

van allerlei plaatsen

(a)  

29.

Schrijf op wat het is.

iets wat gemaakt is

(a)  

30.

Schrijf op wat het is.

Het gaat wel goed.

(a)  

31.

Maak complete zinnen.

Ik ga hiermee experimenten,

a)

want ik vind biologie een leuk vak.

b)

want ze mogen het zelf weten.

c)

want ik wil niet altijd hetzelfde doen.

d)

want ik kom uit Amsterdam.

32.

Maak complete zinnen.

Ik eet geen vlees, behalve

a)

in de winkel.

b)

op zondag, dan eet ik kip.

c)

soms een beetje vis.

d)

mijn hond.

33.

Maak complete zinnen.

Ik ben heel trots op mijn leerlingen,

a)

omdat ze goed hun best doen.

b)

omdat de school groot is.

c)

omdat ze slechte cijfers halen.

d)

omdat het deze week regent.

34.

Maak complete zinnen.

De voeding in de kantine

a)

is altijd een lange rij.

b)

is gezond en niet ziek.

c)

is elke dag vers gemaakt.

d)

is heel erg brutaal.

35.

Maak complete zinnen.

Ik laat jullie er vrij in

a)

of je te laat de les in komt.

b)

of je volgende week vakantie hebt.

c)

of je huiswerk moet maken.

d)

of je de toets dinsdag of woensdag komt inhalen.

36.

Maak complete zinnen.

Jullie gedrag moet echt veranderen,

a)

maar je ouders gaan boos worden.

b)

maar jullie zijn heel populair.

c)

maar morgen hebben we een toets.

d)

maar het lukt nog niet zo goed.

37.

Maak complete zinnen.

Ik vind de muziek van George Michael echt waanzinnig,

a)

maar ik ben dan ook heel gek.

b)

maar hij staat op Spotify.

c)

maar jullie kennen hem niet.

d)

maar hij komt uit Griekenland.

38.

Maak complete zinnen.

Toen ik vroeger in Zwitserland woonde,

a)

at ik vaak lasagne.

b)

at ik vaak haring met uitjes.

c)

at ik vaak sushi.

d)

at ik vaak kaasfondue.

39.

Maak complete zinnen.

Eigenlijk vind ik vlees heel lekker,

a)

maar te veel vlees eten is niet gezond.

b)

maar ik lust geen broodje Karma.

c)

maar ik eet nooit hapjes.

d)

maar vlees is heel populair.

40.

Maak complete zinnen.

Het maakt de leerlingen niet uit

a)

dat kroketten niet blauw zijn.

b)

dat ze veel toetsen krijgen.

c)

dat er in de klas veel lawaai is.

d)

dat Nieuwsbegrip over schatten gaat.

41.

Wat betekent

vrolijk?

a)

anders worden

b)

blij, opgewekt

c)

niet ziek

d)

goed

42.

Wat betekent

absoluut?

a)

heel

b)

idee, opzet

c)

maar niet

d)

zeker

43.

Wat betekent

het gastenboek?

a)

een boek voor rare mensen

b)

een boek waarin gasten iets schrijven

c)

een boek dat je aan je gasten geeft

d)

een boek in een restaurant voor reserveringen

44.

Wat betekent

laatst?

a)

tenslotte

b)

nu, in deze tijd

c)

een tijdje (niet zo lang) geleden

d)

niet de eerste, maar de laatste

45.

Wat betekent

stuk voor stuk?

a)

allemaal

b)

dingen die kapot zijn

c)

puzzelstukjes

d)

heel gek

46.

Wat betekent

mogelijk zijn?

a)

slagen, een succes worden

b)

zeker

c)

kunnen

d)

anders worden

47.

Wat betekent

ontzettend?

a)

heel goed

b)

heel

c)

vervelend

d)

waanzinnig

48.

Wat betekent

gezond?

a)

populair

b)

zonder vlees

c)

een broodje

d)

niet ziek

49.

Wat betekent

tegenwoordig?

a)

tegenwoordige tijd

b)

niet zo lang geleden

c)

vroeger

d)

nu, in deze tijd

50.

Wat betekent

de ambassadeur?

a)

de deur van de ambassade

b)

een dikke deur

c)

iemand die een land vertegenwoordigt

d)

iemand die vegetarisch eet