Worksheets3e leerjaar: thema 4 - 6 spelling
Total questions: 24
Worksheet time: 24mins
Dit zijn...
(a)
Deze kinderen zijn aan het w (a)
Het verkleinwoord van 'bladeren' is ...
(a)
Kijk naar de foto.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'pad'?
padje
paadje
paddetje
Kijk naar de foto.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'glas'?
glaasje
glasje
glassetje
Plop is een ...
(a)
Welke samenstelling zie je hier?
gras
grassprietjes
grasprietjes
Kijk naar de foto.
Wat zie je hier?
(a)
Kijk naar de foto.
Wat zie je hier?
(a)
Ga jij mee op av (a) in het oerwoud?
Spannend!
De wolf en de drie b (a)
Het verkleinwoord van koffer is...
koffertje
kofertje
Het verkleinwoord van man is...
manetje
mannetje
In de zomer gaan we naar Spanje. We nemen het v (a)
Het is tog / toch niet eerlijk?
Welke is juist?
(a)
Hij is helemaal zichzelf / zigzelf.
Wat is juist?
(a)
Een vis gebruikt zijn ki (a) om door te ademen.
Ik .... als ik moe ben.
geeuw
geew
Het is zo koud. Ik krijg er .......... van!
rilingen
rillingen
Welke woorden zijn juist geschreven?
Er zijn meerdere juiste antwoorden.
boterhamen
voetballen
kanonnen
magneeten
Welke woorden zijn FOUT?
tip: het zijn er 2.
rakketen
ongelukken
bloembakken
zonebloem
Schrijf het woord in het meervoud.
1 brulaap = 2 b...
(a)
De koning heeft veel ...
bewaakers
wakers
bewakers
bewakkers
Ik ga die berg ...
beklimmen
beklimen
verliezen
bedenken
