Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 mavo H5 en 6

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de collectieve sector?

a)

de overheid

b)

de sociale zekerheid

c)

de overheid en de sociale zekerheid

d)

het goede antwoord staat er niet bij

2.

Wat is een kenmerk van de collectieve sector?

a)

veel winst maken

b)

geen winst maken

c)

alles privatiseren

d)

alles centraliseren

3.

Wat is de 'tegenhanger' van de collectieve sector?

a)

de particuliere sector

b)

de private sector

c)

de ambtenaren

d)

de rijksoverheid

4.

Wat is privatiseren?

a)

een overheidsbedrijf wordt verkocht aan de particuliere sector

b)

een particulier bedrijf wordt verkocht aan de collectieve sector

c)

een overheidsbedrijf wordt verkocht aan de collectieve sector

d)

een particulier bedrijf wordt verkocht aan de particuliere sector

5.

Waarop heft de overheid accijns?

a)

op groenten

b)

op fruit

c)

op tabak

d)

op ongezonde voeding (Chips, frisdrank etc)

6.

De overheid maakt gebruik van instanties die advies geven. Welke instantie heeft het volgende gezegd: de economie groeit het komende jaar met 1,5%.

a)
b)
c)
d)
7.

De overheid maakt gebruik van instanties die advies geven. Welke instantie heeft het volgende gezegd: flexwerkers moeten beter worden beschermd bij ontslag.

a)
b)
c)
d)
8.

De overheid maakt gebruik van instanties die advies geven. Welke instantie heeft het volgende gezegd: de prijzen van koopwoningen zijn met 0,8% gestegen t.o.v. vorig jaar..

a)
b)
c)
d)
9.

Wat doet de gemeente?

a)

paspoort of rijbewijs afgeven

b)

onderhoud snelwegen

c)

dijken verzwaren / onderhouden

d)

is de baas van het leger

10.

Wie maakt er winst?

a)

de particuliere sector

b)

de collectieve sector

11.

De overheid zorgt dat mensen met weinig of geen inkomen een uitkering krijgen. Dat heet

a)

sociale premies

b)

sociale hulp

c)

collectieve hulp

d)

sociale zekerheid

12.

Hoe noem je het feit dat aanbieders van producten met elkaar moeten concurreren om klanten te krijgen?

a)

marktwerking

b)

marketing

c)

marktwaarde

13.

Wat is geen kenmerk van een planeconomie

a)

Overheid bepaalt regels voor de productie

b)

Er is geen marktwerking

c)

Vraag en aanbod bepalen de prijzen

14.

Hoe noem je een mengvorm van een planeconomie en een vrijemarkteconomie?

a)

sociale markteconomie

b)

sociale planeconomie

c)

sociale mengeconomie

15.

Het totaal aan leningen van de overheid op een bepaald moment noem je

a)

begrotingstekort

b)

staatsschuld

c)

overheidsschuld

d)

miljoenennota

16.

Loonbelasting en vennootschapsbelasting zijn

a)

indirecte belastingen

b)

directe belastingen

17.

Belastingen verwerkt in de prijs van een product zoals BTW en accijns noem je

a)

directe belastingen

b)

indirecte belastingen

18.

Verzekeringen waar alle inwoners van Nederland recht op hebben zoals AOW of ANW zijn

a)

volksverzekeringen

b)

werknemersverzekeringen

19.

Sociale verzekeringen die alleen bestemd zijn voor mensen die in loondienst werken of gewerkt hebben zijn

a)

volksverzekeringen

b)

werknemersverzekeringen

20.

Als je niet kunt terugvallen op een sociale verzekering dan kun je terugvallen op

a)

het sociaal minimum

b)

een sociale voorziening

21.

Wat is een voorbeeld van een sociale voorziening

a)

Werkloosheidswet WW

b)

Algemene ouderdomswet AOW

c)

Bijstandsuitkering

22.

Wat is een voorbeeld van een werknemersverzekering

a)

Werkloosheidswet WW

b)

Algemene ouderdomswet AOW

c)

Bijstandsuitkering

23.

Gepensioneerden behoren tot de

a)

actieven

b)

inactieven

24.

Om de uitkeringen ten gevolge van de vergrijzing te kunnen betalen verhoogt de Overheid de AOW leeftijd waarom?

a)

dan moeten mensen langer werken en dus langer premies betalen

b)

hebben ze minder administratie omdat er dan minder mensen aow krijgen

c)

veel mensen halen die leeftijd dan niet

25.

Wat is niet waar over economische groei?

a)

De totale productie in een land neemt toe.

b)

Het bbp stijgt.

c)

De werkgelegenheid neemt toe.

d)

De werkloosheid neemt toe.

26.

Wat is niet waar over een recessie?

a)

De totale productie in een land neemt af.

b)

Het nationaal inkomen krimpt.

c)

De werkgelegenheid neemt toe.

d)

Dit noemen we ook wel een economische crisis.

27.

Aan het einde van het jaar wordt bekeken of de juiste inhoudingen over je salaris betaald zijn. Soms moet je geld bijbetalen, soms krijg je geld terug.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Loonheffing

28.

Bepaalde kosten die je op je inkomen in mindering mag brengen, zodat je minder belasting hoeft te betalen. Bijvoorbeeld betaalde hypotheekrente.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Progressief belastingtarief

29.

Bedrag dat je bij je inkomen moet optellen als je een eigen huis bezit.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Progressief belastingtarief

30.

Wat is een progressief belastingtarief?

a)

Het belastingpercentage wordt hoger naarmate het inkomen toeneemt.

b)

Het belastingpercentage wordt lager naarmate het inkomen toeneemt.

c)

Het belastingpercentage is constant, maar doordat iemand meer verdient betaalt iemand al meer belasting.

d)

Dit is het tegenovergestelde van het draagkrachtbeginsel.

31.

Wat is de vermogensrendementsheffing?

a)

Het verschil tussen de inkomstenbelasting en de loonheffing.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Belasting over je inkomen

d)

Belasting over je spaargeld

32.

Wat is het heffingsvrije vermogen?

a)

Het verschil tussen de inkomstenbelasting en de loonheffing.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Een korting op het bedrag dat je in totaal aan inkomstenbelasting moet betalen.

d)

Belasting over je spaargeld

33.

Wat is het heffingskorting?

a)

Over je tweede motorvoertuig hoef je minder motorrijtuigenbelasting te betalen.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Een korting op het bedrag dat je in totaal aan inkomstenbelasting moet betalen.

d)

Belasting over je spaargeld

34.

Degene die in staat is veel te betalen, moet in verhouding meer betalen.

a)

Degressief belastingtarief

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

35.

Je betaalt voor het gebruik van goederen of diensten die de overheid levert.

a)

Progressief belastingtarief

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

36.

In welke lorenzcurve is de inkomensverdeling het scheefst?

a)
b)
37.

Welk antwoord is juist? De Lorenzcurve is een grafiek

a)

waarmee je de verdeling van de schulden ineen land zichtbaar maakt

b)

waarmee je de verdeling van het inkomen in een land zichtbaar maakt

38.
Er is een behoorlijk verschil tussen de inkomsten die mensen hebben. Dit noem je inkomensverhoudingen. Hoe noem je het verschijnsel als mensen met lage inkomens er meer geld bij krijgen dan mensen met een hoog inkomen?
a)
Denivellering
b)
Inflatie
c)
Nivellering
d)
Prijscompensatie
39.
Waar staat de afkorting ECB voor?
a)
Europese Centrale Bank
b)
Europees Controle Bureau
c)
Eerste Centrale Bureau
d)
Eerste Controle Bank
40.

Wat voor belastingstelsel gebruiken wij?

a)

Degressief belastingstelsel

b)

Progressief belastingstelsel

c)

Proportioneel belastingstelsel

d)

taxes