Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3GT - Taalverzorging 2 - Ultieme test

Total questions: 54

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.
werken
Yara ........ graag alleen.
a)
werkdde
b)
werkd
c)
werkt
d)
work
2.
sturen
Ik heb een mailtje ............... naar de Bossche Vakschool.
a)
gestuurt
b)
gestuurd
c)
stuurde
d)
sturend
3.
bakken
De ............... frietjes smaakten goed.
a)
gebakke
b)
gebakte
c)
gebakken
d)
gebakten
4.
zoeken
De ............ crimineel werd gearresteerd door de politie.
a)
gezoekte
b)
gezocht
c)
gezochten
d)
gezochte
5.

Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefdt

6.

Silke .........gisteren 50 euro onder haar vrienden.

a)

verlote

b)

verloot

c)

verlootte

7.

“Het (worden) je vanzelf wel duidelijk”, zei de directeur tegen mij.

a)

word

b)

wort

c)

wordt

8.

De minister (melden) vorig kwartaal nog dat alles leek mee te vallen.

a)

melde

b)

meldde

9.

Er worden meestal pas maatregelen genomen als er iets ergs (gebeuren).

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

10.

De vrouw riep boos uit : "Bah ik lust geen komkommersoep!"

a)

Achter Bah moet een komma.

b)

Het uitroepteken moet vervangen worden door een punt.

c)

De dubbele punt achter boos moet vervangen worden door een komma.

d)

Achter lust moet een komma.

11.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

12.

"Wie heeft die prop in de hoek gegooid," vroeg de juf.

a)

Achter juf moeten aanhalingstekens.

b)

Achter vroeg moet een komma.

c)

Achter gegooid moet een vraagteken.

d)

Achter juf moet een vraagteken.

13.

Piet zei "Je krijgt geen cadeautjes dit jaar."

a)

Achter cadeautjes moet een komma.

b)

Achter zei moet een komma.

c)

Achter zei moet een dubbele punt.

d)

Er moeten geen aanhalingsteken in de zin.

14.

"Maak je veter vast!" zei Jan. Je valt straks op je neus.

a)

De punt achter Jan moet veranderd worden in een dubbele punt.

b)

Het uitroepteken achter vast moet weg.

c)

- Je valt straks op je neus- moet tussen aanhalingstekens.

15.

In de dierentuin zagen wij de volgende dieren paarden, olifanten, leeuwen en tijgers.

a)

De komma's moeten weg.

b)

Achter dierentuin moet een dubbele punt

c)

Achter dieren moet een dubbele punt.

d)

Paarden, olifanten, leeuwen en tijgers moet tussen aanhalingstekens.

16.

De (verkleden) (a)   leraren werden toch herkend.

17.

Het nieuws (verbreiden) (a)   (v.t.) zich snel door Caïro.

18.

Halverwege werd nog de snelste tijd (timen).

a)

getimd

b)

getimed

c)

getimet

19.

Helaas (finishen) hij toch als laatste.

(a)  

20.

Mijn vader (deleten) het programma.

a)

delete

b)

deledte

c)

deletete

d)

gedelete

21.

Hij had het gisteren (downloaden).

(a)  

22.

Vroeger (volleyballen) hij altijd op hoog niveau.

a)

volleybalt

b)

volleybald

c)

volleybalde

d)

gevolleybald

23.

Tegenwoordig (rugbyen) hij.

a)

rugbyt

b)

rugbyd

c)

gerugbyd

d)

rugbyde

24.

Zij (swipen) die gespierde jongen naar rechts.

a)

swipede

b)

geswipete

c)

geswipede

d)

swipete

25.

Hij (faken) dat hij carpoolde, want eigenlijk reed hij alleen naar zijn werk.

a)

fakede

b)

gefaket

c)

gefaked

d)

fakete

26.

Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.


Wat is het gezegde?

(a)  

27.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.


Wat is het onderwerp?

(a)  

28.

Hoe vind je een lijdend voorwerp?

(a)  

29.

Er zijn drie manieren om een persoonsvorm te vinden? Welke kloppen er?

a)

Tijdsproef

b)

Getalsproef

c)

Zin lijdend maken

d)

Kijken welk woord uitgevoerd kan worden

e)

Het eerste werkwoord in de zin pakken

30.

De verzorgers willen hem laten afvallen.

a)

wg = willen laten afvallen

b)

wg = willen afvallen

c)

wg = afvallen

d)

wg = willen

31.

Afgelopen maandag heb ik een heerlijk ontbijt gemaakt.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

32.

De buurvrouw gaf haar buurman een mooie bos rozen.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

33.

De minister president deelde de nieuwe maatregelen met het volk.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

34.

Wie had ooit gedacht dat de scholen zouden sluiten?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

35.

Ik heb mijn toetsen extra goed geleerd.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

36.

Ik kreeg een supergrote lolly voor mijn verjaardag.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

37.

Mijn ouders lenen geen tuinstoelen meer aan de buren.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

38.

De meneer van het museum vertelde veel over de Bataviawerf.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

39.

De uitgever heeft het nieuwe boek van Jochem Meyer uitgegeven.

Welk zinsdeel is gekleurd?

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

40.

[Tijdens het gesprek] gaf de lerares hem een compliment.

a)

ow

b)

pv

c)

bwb

d)

lv

41.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?


In het huis aan de overkant woont een journalist van De Telegraaf.

a)

In het huis aan de overkant

b)

woont

c)

een journalist

d)

van De Telegraaf

42.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?


De Franse nationale feestdag valt op 14 juli.

a)

De Franse nationale feestdag

b)

14 juli

c)

op 14 juli

d)

valt

43.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?


Waar heb jij die gele bal gevonden?

a)

Waar

b)

heb gevonden

c)

die gele bal

d)

jij

44.
Hij herinnert zich er niet veel meer van.
a)
Hij herinnert
b)
herinnert
c)
herinnert zich
d)
Hij herinnert zich
45.
Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.
a)
Sophie
b)
las
c)
tijdens de wedstrijd
d)
las voor
46.
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
47.

De persoonsvorm kun je vinden door de zin van tijd te veranderen.

a)

juist

b)

onjuis

48.

Als je een zin verdeelt in zinsdelen, kijk je wat er in zijn geheel voor de persoonsvorm kan staan.

a)

juist

b)

onjuist

49.

Het werkwoordelijk gezegde zijn alle werkwoorden in de zin.

a)

juist

b)

onjuist

50.

Bij het werkwoordelijk gezegde hoort de persoonsvorm.

a)

juist

b)

onjuist

51.

Bij het meewerkend voorwerp vraag je:

a)

wie of wat?

b)

wie of wat + gezegde?

c)

wie of wat + gezegde + onderwerp

d)

aan wie/wat + gezegde + onderwerp

52.

Op een schaal van 1 tot 10: hoe goed ken je werkwoordspelling?

4 lines
53.

Op een schaal van 1 tot 10: hoe goed ken je hoofdletters en interpunctie?

4 lines
54.

Selecteer een EMOJI om te laten zien hoe goed jij zinsontleding beheerst en zet erbij welk cijfer jij jezelf geeft.

😀😐😣

4 lines