wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 27

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

In het Nederlands bestaan alleen spellingregels voor de verleden tijd

en het voltooid deelwoord van .................................... werkwoorden.

a)

klankvaste

b)

klankveranderende

2.

RUIKEN is een ............................................ werkwoord

a)

klankvast

b)

klankveranderend

3.

GEBRUIKEN is een ............................................ werkwoord

a)

klankvast

b)

klankveranderend

4.

Spel in alle volgende zinnen

de persoonsvorm op de goede manier in de verleden tijd.

Heb je deze vraag begrepen?

a)

Ja. (En ik ga een 10 scoren.)

b)

Nee. (Ik ben nog niet wakker.)

5.

Voor het dorpsfeest ... (bakken) we een enorme taart.

(a)  

6.

De gemeente ... (planten) narcissen en blauwe druifjes aan de kant van de weg.

(a)  

7.

Vlak voor sluitingstijd ... (vegen) de vakkenvuller zijn gangpad schoon.

(a)  

8.

Toen ik stamppot maakte, ... (koken) de aardappels bijna over.

(a)  

9.

Mijn moeder ... ons huis na de verbouwing opnieuw ... (inrichten).

(a)  

10.

Bij het wokrestaurant (a)   (braden) ze het vlees altijd heerlijk bruin.

11.

De buurman ... (harken) alle kastanjes bij elkaar voor het herfststukje.

(a)  

12.

Ik (a)   (stomen) de etiketten van de potjes, zodat ik er kaarsjes in kon doen.

13.

In de herfst (a)   (snoeien) de tuinman alle planten om de tuin winterklaar te maken.

14.

Een aantal koks (a)   (proeven) voorzichtig de eerste hap van het nieuwe gerecht.

15.

Mijn broers ........ altijd ........ (opscheppen) over hun geweldige sportprestaties.

(a)  

16.

In het park ........ de stratenmakers een nieuw paadje ........ (aanleggen).

(a)  

17.

De leerlingen (a)   (verzetten) allemaal hun fiets, omdat die in de weg stond.

18.

Vul in alle volgende zinnen

op de genummerde plekken het goede VOLTOOID DEELWOORD in.

Heb je vraag begrepen?

a)

Ja.

b)

Nee.

19.

In de herfstvakantie zin ook dit jaar veel mensen op vakantie (GAAN).

(a)  

20.

Een onderzoeksbureau heeft aan Nederlanders een aantal dingen (VRAGEN).

(a)  

21.

Ze wilden weten of mensen een museum of pretpark hebben (BEZOEKEN).

(a)  

22.

De meeste mensen zijn inderdaad een dagje weg (ZIJN).

(a)  

23.

Bijna niemand heeft in de herfstvakantie (KAMPEREN).

(a)  

24.

Door de kou hebben de meeste vakantiegangers een huisje (BOEKEN).

(a)  

25.

Omdat het ook veel regende,

hebben veel mensen op hun laptop een film of game app (DOWNLOADEN).

(a)  

26.

Aan het eind van de vakantie hebben zij die films en apps weer (DELETEN).

(a)  

27.

Daarna zijn ze allemaal weer naar huis (RACEN).

(a)