wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 5 Bs 1 t/m 3_BvJ_V5

Total questions: 31

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Water wordt geabsorbeerd door wortels via een proces genaamd...

a)

diffusie

b)

osmosis

c)

actief transport

d)

passief transport

2.

Welke stoffen worden opgenomen en afgegeven bij de gaswisseling bij planten?

a)

Opname: Koolstofdioxide

Afgifte: Waterdamp en glucose

b)

Opname: Koolstofdioxide en waterdamp

Afgifte: zuurstof

c)

Opname: Koolstofdioxide en waterdamp

Afgifte: zuurstof en glucose

d)

Opname: Koolstofdioxide

Afgifte: zuurstof en waterdamp

3.

Dit groene pigment absorbeert energie uit zonlicht

a)

1. chloroplast

b)

1. chlorofyl

c)

1. mitochondrien

d)

1. chromosoom

4.

Deze kleine gaatjes in een blad zorgen ervoor dat gassen in en uit kunnen stromen

a)

stroma

b)

thylakoid

c)

cuticula

d)

huidmondjes (stomata)

5.

Een plant is ..?

a)

Heterotroof, multicellelulair, prokaryoot

b)

Autotroof, unicellulair, eukaryoot

c)

Autotroof, multicellulair, eukaryoot

d)

Heterotroof, unicellulair, prokaryoot

6.

De twee soorten vaatweefsel in planten zijn de _____________ en de _________________?

a)

schors, hout

b)

wortels, stengel

c)

floeem, xyleem

d)

merg, endodermis

7.

Welke uitspraak is waar

1. Xyleem (houtvaten) vervoert ​​anorganische stoffen terwijl floëem organische stoffen vervoert.

2. Xyleem (houtvaten) vervoert organische stoffen terwijl floëem anorganische stoffen vervoert.

a)

1.

b)

2.

8.

Wat is het belangrijkste doel van de bloem?

a)

Om ons huis lekker te laten ruiken.

b)

Om er mooi uit te zien.

c)

Om bestuivers aan te trekken

d)

Om bijen te voeren

9.

Wat is een functie van de stengel?

a)

om groen te zijn

b)

om de plant te ondersteunen

c)

om voedingsstoffen uit de bodem op te nemen

d)

om te praten over wetenschap, technologie, techniek en wiskunde

10.

Hoe verplaatsen niet-vasculaire planten (bevatten geen vaten) water naar cellen?

a)

Met Xyleem

b)

Osmosis/Diffusie

c)

Chloroplast

d)

Stomata (huidmondjes)

11.
___ open and close the stomata.
a)

Sluitcellen

b)

Xyleem

c)

Wortels

d)

Floeem

12.

Dennentak


Toen de tak nog aan de boom zat, zijn door deze tak water en zouten naar de naalden vervoerd.

Onder invloed van welke krachten zijn water en zouten naar de naalden vervoerd?

a)

alleen door de capillaire werking

b)

alleen door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

c)

door de capillaire werking, door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

13.

De spechten hakken de gaten tot in het hout. In een bepaald seizoen blijken uit het hout van de bladverliezende loofbomen organische voedingsstoffen te stromen die via de houtvaten omhoog worden vervoerd.


In welk seizoen is dit het geval?

a)

in het voorjaar

b)

in de herfst

c)

in de zomer

14.

Als kale rozenstruiken in het voorjaar uitlopen, vindt door de stengels transport plaats van water met opgeloste stoffen van beneden naar boven.

Zijn bij deze opgeloste stoffen suikers? En zouten?

a)

Alleen suikers

b)

Alleen mineralen

c)

Suikers en mineralen

15.

Bart zegt: “Het volume is 11,5 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”

Nora zegt: “Het volume is 12,0 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Josefine zegt: “Het volume is 11,5 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Olaf zegt: “Het volume is 12,0 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”


Wie heeft er gelijk?

a)

Bart

b)

Nora

c)

Josefine

d)

Olaf

16.

1.

Bij een onderzoek werd er een 20 cm brede strook schors en bast rondom de stam van een den verwijderd tussen de bodem en de onderste takken. Dit beïnvloedt het transport in de boom.

Welke uitspraak over de gevolgen van deze ingreep is juist?

a)

De opname van stikstof wordt geremd, waardoor in de wortels een tekort ontstaat

b)

De verdamping stopt, de boom verliest al haar naden

c)

Transport van kalium en calcium van de wortels naar de naalden komt tot stilstand

d)

Het transport van suiker naar de wortels stopt waardoor die wortels afsterven

17.

Aan de rand van een plas groeien planten. Op een bewolkte, windstille ochtend in juni wordt van zonsopgang tot 10 uur ’s ochtends de stroomsnelheid gemeten van het vocht in de houtvaten in de stengel van een van de planten. Gedurende de meetperiode stijgt de luchttemperatuur van 13 °C naar 20 °C. Het transport als gevolg van mogelijke druk vanuit de wortel wordt buiten beschouwing gelaten.

Wat gebeurt er gedurende de meetperiode met de stroomsnelheid in de houtvaten?

a)

Wordt lager

b)

Wordt hoger

c)

Blijft gelijk

18.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.

Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd? en die van minderalen?

a)

Ja het water wordt geremd

b)

Nee het water wordt niet geremd

c)

Ja het transport van mineralen wordt geremd

d)

Nee het transport van mineralen wordt niet geremd

19.

Bart loopt hard over een asfaltweg. De rubberzolen van zijn hardloopschoenen worden aangetrokken door het asfalt.

Waarvan is die aantrekking een voorbeeld?

a)

Osmose

b)

Cohesie

c)

Diffusie

d)

Adhesie

20.

Wat zijn de correcte benamingen voor de vier onderdelen? (BINAS 91)

a)

1 bastvaten 2 houtvaten 3 tussenruimte 4 huidmondje

b)

1 bastvaten 2 houtvaten 3 huidmondje 4 luchtholten

c)

1 houtvaten 2 bastvaten 3 luchtholten 4 tussenruimten

d)

1 houtvaten 2 bastvaten 3 luchtholten 4 huidmondje

21.

Welk van het onderstaande antwoorden gebruikt vooral adhesie voor het transporteren van water door de plant?

a)

De worteldruk

b)

Verdamping

c)

De capillaire werking

d)

Worteldruk, verdamping en capillaire werking

22.

Welk proces(sen) voor het transporteren van water in de plant is/zijn passief?

a)

Verdamping

b)

Capillaire werking

c)

Worteldruk

23.

Bij een hoge CO2 concentratie in de lucht kan de plant gemakkelijker CO2 opnemen en heeft de plant minder huidmondjes nodig. Welke lijn geeft dit in de grafiek juist weer?

a)

Lijn P

b)

Lijn Q

c)

Lijn R

d)

Lijn S

24.

Als een cel een Ψp\Psi p = 3 MPa heeft en zijn  Ψs\Psi s = -4.5 MPa, wat is de  Ψ\Psi  ?

a)

-7.5

b)

7.5

c)

-1.5

d)

1.5

25.

Een cel met een waterpotentiaal van -1.5 MPa wordt in een suikeroplossing geplaatst met een Ψs\Psi s  = - 4,0 MPa.  In welke richting zal het netto water verplaatsen?

a)

Buiten de cel

b)

Binnen de cel

c)

Beiden

d)

Geen van beide

26.

Een cel met een waterpotentiaal van -1.5 MPa wordt in een suikeroplossing met een  Ψs\Psi s  = 1.5 MPa plaats.  In welke richting vindt waterverplaatsing plaats?

a)

Binnen de cel

b)

Buiten de cel

c)

Geen netto verplaatsing van water

27.

Het osmotische potentieel (Ѱs) van een oplossing is altijd

a)

een negatieve nummer

b)

een positieve nummer

c)

nul in een open beker

28.

Welke heeft de hoogste osmosesnelheid?

a)

Cell Ѱ= -5

Env Ѱ= 0

b)

Cell Ѱ= -8

Env Ѱ= -2

c)

Cell Ѱ= -1

Env Ѱ= 3

d)

Cell Ѱ= -2

Env Ѱ= -5

29.

Gedestilleerd water heeft een waterpotentieel van ___.

a)

1

b)

0

c)

-1

d)

100

30.

Water stroomt van __________ potentieel naar ___________ potentieel

a)

Hoog --> laag

b)

laag --> hoog

31.

Stellingen:

1. Chlorofyl A absorbeert licht golflengte rond 420 nm het meest.

2. Chlorofyl B reflecteert licht golfengtes tussen 500 nm en 600 nm

a)

1. Waar

2. Waar

b)

1. Niet waar

2. Waar

c)

1. Niet waar

2. Niet waar

d)

1. Waar

2. Niet waar