Worksheetsoefentoets A2 thema 1
Total questions: 40
Worksheet time: 34mins
Mijn zus is ......., dus ik word tante.
geboren
dik
tante
zwanger
Ik heb geen pen. Mag ik jouw pen even .....?
hebben
krijgen
lenen
schrijven
Maya werkt hier pas 1 jaar maar Martin werkt hier ...... 5 jaar.
pas
al
nu
vaak
Mijn ouders ............ in Iran.
geboren
is geboren
zijn geboren
Maria is vier jaar. Zij gaat na de zomervakantie ......naar school.
de jongste
voor het eerst
altijd
pas
Mark werkt .... sinds gisteren bij McDonald's.
maar
want
al
pas
1. Wij hebben een nieuw huis.
2. ..........!
Wat jammer!
Goed.
Wat vervelend!
Gefeliciteerd!
Betaal je veel of .... huur per maand?
minder
weinig
meer
soms
......mijn buren, Jan en Peter.
....onze nieuwe auto. Het is een Ferrari.
Mijn huis is heel (a) want het heeft veel ramen.
..... ..... geen douche in mijn badkamer.
(a)
... (a) twee grote parken in mijn wijk.
... ... een bushalte dichtbij onze flat.
(a)
Ik heb hoofdpijn...
want ik neem paracetamol.
omdat ik neem paracetamol.
dus ik neem paracetamol.
of ik neem paracetamol.
Ik fiets naar school ...
maar ik neem de bus.
want ik neem de bus.
dus ik neem de bus.
of ik neem de bus.
Het sneeuwt (a) ik neem doe een muts op..
Ik heb twee auto's... een fiets.
(a)
We hebben geen hond ... wel een kat.
(a)
Ik wil een baan zoeken, (a) ik heb geen geld.
Ik wil graag een ... kleed kopen bij Ikea.
wol
van wol
wollen
wole
De kast is 3 meter. Het is een (a) kast.
Deze tafel is gemaakt van hout dus het is een ... tafel
(a)
Mijn zus Dagmar is een .... vrouw.
gele
leuke
lekker
gek
De Flevostraat is een .... straat.
wijde
drukke
witte
modern
Het spijt me = .....
jammer!
gefeliciteerd!
sorry!
ik heb gelijk = ...
wat ik zeg is waar
wat ik zeg is niet waar
Hij spreekt heel duidelijk = ...
Ik kan de man verstaan en begrijpen.
De man spreekt heel hard.
Ik begrijp de man niet.
Ik kan de man verstaan maar niet goed begrijpen.
Jan (a) volgende week naar Volendam (verhuizen).
Hij (a) zalf op zijn billen (smeren).
Abdul (a) het bericht van zijn vriendin (beantwoorden).
Jij (a) de vrouw een hand. (geven)
Jeroen (a) zijn vieze sokken (wassen).
1 pincode, 2 (a)
1 knop, 20 (a)
Mijn man is 90 kilo. Ik weeg 80 kilo. Mijn man is ...... dan ik.
hoger dan
zwaarder
meer
zwaarder dan
Ik vind bloemkool lekker, maar ik vind tomaten.....
beter
lekkerder
lekkerder dan
lekkere
Jouw computer is goed, maar mijn computer is .... jouw computer.
liever
goeder dan
meer
beter dan
Ik woon .... in een mooi huis dan in een flat.
grager
graag
beter
liever
Ik kan twee dingen ........Koken en bellen met een vriend.
tegelijk
maken
nu
vaak
