wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 Organen en cellen

Total questions: 71

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
2.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
3.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
4.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
5.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
6.
Welk orgaan valt niet onder het verteringsstelsel?
a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
7.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
8.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

9.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

10.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

11.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
12.

Wat voor orgaan is nummer 4?

a)

Maag

b)

Hart

c)

Lever

d)

Dunne darm

13.

Wat is nummer 5?

a)

Maag

b)

Lever

c)

Hart

d)

Dikke darm

14.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

15.

Welk orgaanstelsel zie je hier?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Bloedvatenstelsel

16.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

17.
Welk orgaan wordt weergegeven met J?
a)
Lever
b)
Maag
c)
Alvleesklier
d)
Hart
18.
Welk orgaan wordt weergegeven met D?
a)
Slokdarm
b)
Luchtpijp
c)
Holle ader
d)
Aorta
19.
Dit is een dwarsdoorsnede van...
a)
de buikholte (onder het middenrif)
b)
de borstholte
c)
de buikholte (ter hoogte van de navel)
20.

Het middenrif heeft nummer....

a)

22

b)

11

c)

16

d)

18

21.

Klik op de organen die horen bij het verteringsstelsel. (2 juiste antwoorden)

a)
b)
c)
d)
22.

Geef aan wat het grootste is?

a)

Cellen

b)

Orgaanstelsel

c)

Orgaan

d)

Organisme

23.

Geef aan wat het kleinste is?

a)

Cellen

b)

Orgaanstelsel

c)

Orgaan

d)

Organisme

24.

Een groep cellen die dezelfde vorm en functie hebben noem je een...

a)

Orgaan

b)

Weefsel

c)

Organisme

d)

Orgaanstelsel

25.

Bij welke onderdeel horen de longen?

a)

Cellen

b)

Orgaanstelsel

c)

Orgaan

d)

Organisme

26.

Welk orgaanstelsel zie je op de afbeelding?

a)

Verteringsstelsel

b)

Spierstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

27.

Welk orgaanstelsel zie je op de afbeelding?

a)

Verteringsstelsel

b)

Beenderstelsel

c)

Spierenstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

28.

Welk orgaanstelsel zie je op de afbeelding?

a)

Verteringsstelsel

b)

Beenderstelsel

c)

Spierenstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

29.

Als we praten over een maag, is dat dan een ..

a)

organisme?

b)

orgaan?

c)

cel?

d)

weefsel?

30.

Het levenskenmerk wat in de afbeelding is weergegeven betreft...

a)

groeien.

b)

voortplanten.

c)

ademen.

d)

voeden.

31.

Stofwisseling is een levenskenmerk. Wat zijn voorbeelden van stofwisseling?

a)

ademen en groeien

b)

groeien en ontwikkelen

c)

waarnemen en bewegen

d)

ademen en uitscheiden

32.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

33.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

34.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

35.

Een plantaardige cel is onder andere verschillende van een dierlijke cel door de aanwezigheid van ..

a)

celplasma

b)

bladgroenkorrels

c)

celkern

d)

celmembraan

36.

DNA bevindt zich in ..

a)

de celkern

b)

in een vacuole

c)

in de celwand

d)

in de celmembraan

37.

Een hond krijgt puppy's. Dit verschijnsel hoort bij het levenskenmerk ..

a)

ontwikkelen

b)

groeien

c)

voortplanten

d)

bewegen

38.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
39.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
40.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16
41.
Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen.
Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan.
Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?
a)
bladgroenkorrels worden zetmeelkorrels
b)
kleurstofkorrels worden zetmeelkorrels
c)
zetmeelkorrels worden kleurstofkorrels
d)
zetmeelkorrels worden bladgroenkorrels
42.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

een celkern

b)

een celmembraan

c)

een celwand

43.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

44.

Waar in een plantencel zit het celmembraan?

a)

Aan de buitenkant van het cytoplasma

b)

Aan de buitenkant van de celwand

c)

Tegen de vacuole aan

d)

Aan de buitenkant tegen de celkern

45.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

46.

Welke plastiden zitten er in een aardappel.

a)

Kleurstofkorrels

b)

Bladgroenkorrels

c)

Zetmeelkorrels

47.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

48.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

49.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

50.

Welke cellen van een mens bevatten 46 chromosomen?

a)

Geslachtscellen

b)

Huidcellen

c)

Darmcellen

d)

Spiercellen

51.

Is een organisme een levend wezen?

a)

ja

b)

nee

52.

Zijn groei en voortplanting voorbeelden van levensverschijnselen?

a)

Ja

b)

nee

53.

Wat is stofwisseling?

a)

Stoffen die buiten het lichaam worden omgezet in andere stoffen

b)

Stoffen die in het lichaam worden omgezet in andere stoffen

54.

Organen die samenwerken noem je?

a)

weefsel

b)

orgaanstelsel

c)

cellen

d)

orgaan

55.

Wat is een weefsel?

a)

Een aantal cellen

b)

Een groep verschillende cellen

c)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

Een groep cellen diep in het lichaam

56.

Van welk organisme is deze cel?

a)

Een bacterie

b)

Een schimmel

c)

Een plant

d)

Een dier

57.

Een plantencel heeft bladgroenkorrels?

a)

Juist

b)

onjuist

58.

Met welk nummer worden de objectieven aangegeven

a)

1

b)

2

c)

5

d)

7

59.

Met welk deel kun je de objectieven draaien?

a)

1

b)

3

c)

10

d)

11

60.

Met nummertje 5 het diafragma regel je de hoeveelheid licht.

a)

juist

b)

onjuist

61.

Wat voor orgaan is nummer 4?

a)

Maag

b)

Hart

c)

Lever

d)

Dunne darm

62.

Een orgaan is

(a)  

63.

Wat is nummer 5?

a)

Maag

b)

Lever

c)

Hart

d)

Dikke darm

64.

Wat is nummer 8?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Nier

65.

Welk onderdeel is nummer 7?

a)

Tubus

b)

Revolver

c)

Oculair

d)

Statief

66.

Welk onderdeel is nummer 3?

a)

Tubus

b)

Tafel

c)

Objectieven

d)

Revolver

67.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht die door de lenzen valt?

a)

Objectieven

b)

Lamp

c)

Diafragma

d)

Tafel

68.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen. Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand. Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Celwand

69.

Enkele organen van een schaap zijn: alvleesklier, hart, lever, longen, maag, slokdarm. Welke drie van deze organen kunnen zich bevinden in de holte die is

aangegeven met S in de afbeelding?

a)

Alvleesklier

b)

Hart

c)

lever

d)

Longen

e)

Slokdarm

70.

Het oculair vergroot 15x, het objectief 20x.

Wat is de totale vergroting van de microscoop?

a)

35

b)

20

c)

300

d)

5

71.

Met welk onderdeel van de microscoop regel je de hoeveelheid licht door de lens?

a)

Revolver

b)

Lampje

c)

Tubus

d)

Diafragma

e)

Kleine stelschroef