wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

REGELING

Total questions: 111

Worksheet time: 1hrs 14mins

Name
Class
Date
1.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

2.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
3.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
4.
Je neemt waar doordat je iets
a)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft
b)
eet, voelt, ruikt, ziet, hoort
c)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt
d)
doet
5.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
6.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
7.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
8.
Is dit een prikkel of een impuls?
a)
prikkel
b)
impuls
9.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
10.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
11.
Is dit een adequate prikkel voor je evenwichtszintuig?
a)
ja
b)
nee
12.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
13.
Welk stelsel werkt sneller?
a)
het hormoonstelsel
b)
het zenuwstelsel
c)
allebei net zo snel
14.
De veranderingen van de jongen in het plaatje komen door:
a)
geslachtshormoon
b)
groeihormoon
c)
geslachtshormoon én groeihormoon
d)
geen van de twee hormonen
15.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
16.
De hersenen zijn onder te verdelen in:
a)
grote hersenen  en kleine hersenen tussen tussenhersenen hersenstam
b)
grote hersenen  en tussen hersenen kleine hersenen ruggenmer
c)
grote hersenen, kleine hersenen en  hersenzenuwen
d)
Hersenstam, kleine hersenen en grote hersenen
17.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
18.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
19.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
20.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

22.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

23.

welke smaken proef je met je tong?


a)

zoet, zout, bitter, zuur

b)

zout zoet bitter umani

c)

zoet bitter umani zuur

d)

zoet bitter umani zuur bitter

24.

wanneer je iets eet en het is koud, dan reageren bepaalde zintuigen dit waar. Welke?

a)

koude zintuigen

b)

warmte en koudezintuigen

c)

smaakzintuigen

d)

smaak en koudezintuigen

25.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

26.

Als je een geur ruikt, kan deze alleen verwerkt worden door een

a)

warmte zintuigecel

b)

geurzintuigcel

c)

drukzintuigcel

d)

pijnzintuigcel

27.

Schakelcellen zijn...

a)

Geleiden impulsen van de zintuigen naar centrale zenuwstelsel

b)

Geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel

c)

Geleiden impulsen van centrale zenuwstelsel naar de spieren

28.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
29.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
30.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
31.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
32.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
33.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
34.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
35.

Dit bevat uitlopers van zowel bewegingszenuwen als gevoelszenuwen

a)

Hersenen

b)

Ruggenmerg

c)

Gemengde zenuw

d)

Schakelcellen

36.

De grijze stof ligt oa. in je ruggenmerg. Grijze stof bestaat uit...

a)

Cellichamen van schakelcellen en bewegingszenuwcellen

b)

Cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

37.

3=

a)

Grote hersenen

b)

Kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

38.

3=

a)

Grijze stof

b)

Witte stof

c)

Schakecellen

d)

Wervel

39.

Bewegingszenuwcellen liggen...

a)

Aan de rugzijde

b)

Aan de buikzijde

c)

Centraal

40.

Hersenstam regelt...

a)

Je zintuigen

b)

Coördinatie

c)

Bewuste reacties

d)

Levensfuncties

41.

Gevoelscentra zijn...

a)

Delen van de grote hersenen die impulsen van zintuigen verwerken

b)

Delen van de kleine hersenen die impulsen van zintuigen verwerken

c)

Delen van de grote hersenen die impulsen van spieren verwerken

d)

Delen van de kleine hersenen die impulsen van spieren verwerken

42.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

43.

Op welke prikkel reageren tastknopjes in de huid?

a)

Zachte aanraking

b)

Harde aanraking

c)

Warmte en koude

d)

Pijn

44.

Waar liggen de zintuigcellen van het reukzintuig?

a)

Voor in de neus, bij de neusvleugels

b)

Bovenin de neusholte

c)

Tegen het gehemelte in je mond

d)

Achterin de keelholte

45.

Waar liggen de zintuigcellen van het gehoorzintuig?

a)

In de oorschelp

b)

Tegen het trommelvlies

c)

In de gehoorzenuw

d)

In het slakkenhuis

46.

Behoort je gehoorzenuw tot het centrale zenuwstelsel?

a)

Ja

b)

Nee

47.

Wat voor type zenuwcel wordt hier afgebeeld?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwvel

c)

Schakelcel

48.

Geeft P in de afbeelding een uitloper aan?

a)

Ja

b)

Nee

49.

Kunnen er via deel Q in de afbeelding impulsen worden geleid?

a)

Ja

b)

Nee

50.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

51.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingsszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

52.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

53.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

54.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

55.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

56.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
57.

Als een spier of klier wordt aangestuurd gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

58.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

59.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

60.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

61.

De kleine hersenen:

a)

vindt bewustwording plaats

b)

worden onbewuste levensprocessen geregeld

c)

regelen reflexen

d)

zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht

62.
De hersenstam:
a)
regelt onbewuste levensprocessen en reflexen
b)
coördineert bewegingen en evenwicht
c)
Zet informatie vast in je geheugen
63.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)
Zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen
c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
64.
Bij de hersenen bevat het buitenste gedeelte (de schors) veel.....
a)
Cellichamen van schakelcellen
b)
uitlopers van schakelcellen
c)
Zowel cellichamen als uitlopers van schakelcellen
65.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

66.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
67.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
68.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
69.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
70.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
71.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
72.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
73.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)
Bij zo'n persoon is de verbranding van cellen laag.
d)
Bij zo'n persoon is er veel verbranding van de cellen
74.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
75.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
76.
Welke groep mensen loopt het meeste kans op diabetes? 
a)
Ouderen 
b)
Jongeren
c)
Mensen met overgewicht
d)
Baby's
77.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
78.

Hormonen zijn altijd heel langzaam.

Wat zorgt er voor dat het hormoon Adrenaline wel heel snel effect heeft.

a)

Het is een klein hormoon.

b)

Je krijgt het in één keer heel veel in je bloed.

c)

Het is een groot hormoon.

d)

Overal in je lichaam wordt Adrenaline geproduceerd.

79.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

80.

Een onderzoekje naar het verband tussen het glucosegehalte van het bloed en een schrikreactie. Op welk tijdstip schrok deze persoon hevig?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

81.

Hormonen werken snel en hebben een langdurig effect

a)

Waar

b)

Niet waar

82.

Hormonen worden via het bloed vervoerd

a)

Waar

b)

Niet waar

83.

Op het moment dat je net een maaltijd hebt gegeten en je bloedsuiker omhoog gaat, produceer je

a)

Glucagon

b)

Insuline

c)

Adrenaline

d)

Schildklierhormoon

84.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
85.
Welke kleur heeft het trommelvlies in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
86.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
87.
Welke kleur heeft het slakkenhuis in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
88.
Welke letter geeft een prikkel aan in de afbeelding?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
89.
Bij welke letter weet het meisje dat de zak patat er is?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
90.
Bij welke letter gaan er impulsen naar de spieren van haar arm?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
91.
Welke letter geeft het ruggenmerg aan?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
92.
Het deel dat nummer 3 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
93.
Het deel dat nummer 2 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
94.
Het deel dat nummer 4 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
95.
Het deel dat nummer 1 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
96.
De druk binnen en buiten het oor gelijk houden hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
97.
Nummer 13 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
98.
Nummer 6 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
99.
Nummer 8 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
100.
Nummer 7 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
101.
Nummer 5 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
102.
Nummer 3 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
103.
Nummer 6 is
a)
de oogzenuw
b)
de gele vlek
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
104.
Voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
105.
"dit deel zorgt dat er een scherp beeld op het netvlies komt" hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
106.
"hiermee kan de oogbol bewegen" hoort bij
a)
nummer 1
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
107.
Welk nummer geeft de eilandjes van Langerhans aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
108.
Welk hormoon wordt NIET gemaakt in deze klier?
a)
insuline
b)
glucagon
c)
adrenaline
109.
Welk nummer geeft de schildklier aan?
a)
1
b)
3
c)
4
d)
5
110.
Welk nummer geeft de eierstokken aan?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
111.
Welke klier maakt mannelijk geslachtshormoon aan?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8