wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloed T1

Total questions: 30

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Bloed bestaat uit

a)

45% bloedplasma + 50% rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes + 2 % opgeloste stoffen

b)

55% bloedplasma + 45% rode en witte bloedcellen

c)

91% water + 7% plasma-eiwitten en 2% opgeloste stoffen

d)

45% rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes + 55% bloedplasma

e)

7% plasma-eiwitten, 2% opgeloste stoffen, 55 % witte bloedcellen en 45% rode bloedcellen

2.

Bloedplasma bestaat uit (a) water (b) plasma-eiwitten en (c) opgeloste stoffen. Welle percentages komen bij a, b en c te staan?

a)

a=2% , b=91% , c=7%

b)

a=91% , b=7% , c=2%

c)

a=2% , b=7% , c=91%

d)

a=91% , b=2% , c=7%

3.

Deze cellen bevatten hemoglobine

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

lichaamscellen

4.

Eiwitten in het bloedplasma noemen we

a)

bloed-eiwitten

b)

rode-eiwitten

c)

plasma-eiwitten

d)

bloedplaatjes

5.

Dit eiwit heeft een functie bij het stollen van bloed

a)

fibrinogeen

b)

hemoglobine

c)

trombose

d)

stollings-eiwit

6.

Witte bloedcellen

a)

vervoeren zuurstof

b)

vervoeren koolstofdioxide

c)

hebben geen vaste vorm

d)

spelen een rol bij de stolling van bloed

7.

Wie heeft er een celkern?

a)

rode bloedcel

b)

witte bloedcel

c)

bloedplaatje

8.

Een bloedprop in een bloedvat noemen we een

a)

bloedprop

b)

trombone

c)

bloedstolsel

d)

trombose

9.

De bloedsomloop bij de mens noemen we een dubbele bloedsomloop, omdat

a)

er blauw en rood bloed is

b)

het hart twee helften heeft

c)

het bloed per omloop 2 keer door het hart stroomt

d)

de mens symmetrisch is en dus uit twee gelijke helften bestaat

10.

Bloed dat rijk is aan zuurstof en voedingsstoffen stroomt door de ………… naar de hartspier. Wat staat op de ….. ?

a)

kransslagader

b)

aorta

c)

longader

d)

holle ader

11.
Waaruit bestaat bloed?
a)
Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma
b)
Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water
c)
Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen
d)
Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes
12.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
13.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
14.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
15.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
16.
Trombose is...
a)
een wondje dat niet stopt met bloeden
b)
een wondje dat is ontstoken
c)
een bloedpropje in een bloedvat
d)
een muziekinstrument
17.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
18.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
19.
Op welke plaats of plaatsen kan zuurstof  voorkomen?
a)
A en B
b)
B en C
c)
A en C
20.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
21.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
22.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
23.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
24.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
25.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
26.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
27.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
28.

In welk type bloedvaten zitten kleppen?

(a)  

29.

Wat is waar?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn!

a)

Rode bloedcellen kunnen door de wand van kleine bloedvaten heen.

b)

Bloedplaatjes zijn hele cellen.

c)

Bloedplasma kan koolstofdioxide vervoeren.

d)

Witte bloedcellen kunnen bacteriën insluiten.

30.

Wat is waar?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

In de grote bloedsomloop neemt het bloed zuurstof op in de longen.

b)

Het hart hoort bij het bloedvatenstelsel.

c)

Het bloed vervoert stoffen door het lichaam.

d)

De grote bloedsomloop

vervoert zuurstof aan alle organen.