wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vragenbron 6VWO SET3 KES

Total questions: 77

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

How does climate change affect ecosystems?

a)

Climate change only affects temperature and has no impact on precipitation patterns.

b)

Climate change affects ecosystems by altering temperature and precipitation patterns, causing shifts in species distribution, disrupting food webs, and increasing the frequency and intensity of extreme weather events.

c)

Climate change has no impact on ecosystems.

d)

Climate change only affects extreme weather events and has no impact on species distribution or food webs.

2.

What are some examples of renewable energy sources?

a)

coal power, natural gas power, nuclear power, oil power

b)

geothermal energy, biomass energy, nuclear power, oil power

c)

solar power, wind power, hydroelectric power, geothermal energy, biomass energy

d)

solar power, wind power, coal power, oil power

3.

What is sustainable development?

a)

Using resources in a way that maximizes profits

b)

Prioritizing short-term economic growth over long-term sustainability

c)

Meeting present needs without compromising future generations' ability to meet their own needs.

d)

Ignoring the impact of human activities on the environment

4.

Why is biodiversity important for ecosystems?

a)

Biodiversity actually harms ecosystems

b)

Biodiversity only benefits certain species in ecosystems

c)

Biodiversity is important for ecosystems because it ensures the stability and resilience of the ecosystem, enhances ecosystem productivity, provides essential ecosystem services, and supports the overall health of the planet.

d)

Biodiversity has no impact on ecosystems

5.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

6.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

7.

Tot welke categorie behoren de afvaleters?

a)

reducenten

b)

producenten

c)

consumenten

d)

predatoren

8.

Wat zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

9.

Wat is een belangrijke stikstofbron voor planten

a)

stikstofgas

b)

nitronium

c)

nitriet

d)

nitraat

10.

Waarom heeft een pionier ecosysteem weinig voedingsstoffen in de bodem?

a)

weinig humus, doordat er nog niet veel is doodgegaan

b)

nog maar weinig planten

c)

het zijn alleen maar rotsen

d)

er is te weinig water

11.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
12.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
13.

Wanneer koolstof de plant binnen komt kan het deel worden van de celwand van planten van eiwit, vet of DNA

a)

waar

b)

niet waar

14.

Wanneer koolstof de plant binnen komt kan het omgezet worden in energie voor de plant

a)

waar

b)

niet waar

15.

Wanneer koolstof de plant binnen komt kan het onderdeel worden van het organisch materiaal in de bodem wanneer delen van de plant dood gaan en op de grond vallen.

a)

waar

b)

niet waar

16.

In afbeelding 1 zijn enkele voedselrelaties schematisch weergegeven. Drie

schakels, 1, 2 en 3, zijn in afbeelding 2 niet ingevuld.

Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?

a)

garnaal

b)

kever

c)

kikker

d)

krokodil

17.

De korenwolf (hamsterachtige) eet granen, het is een consument

a)

van de eerste orde en van het 1e trofisch niveau

b)

van de eerste orde en van het 2e trofisch niveau

c)

van de tweede orde en van het 2e trofisch niveau

d)

van de tweede orde en van het 3e trofisch niveau

18.

In een populatie korenwolven heeft 25% een licht vacht. Dit allel is recessief. Wat is de allelfrequentie van q? (Hardy-Weinberg)

a)

0,125

b)

0,25

c)

0,5

d)

0,75

19.

Welke afkorting staat voor de productie van de consumenten van de 1e orde - hun eigen dissimilatie

a)

BPP

b)

NPP

c)

BSP

d)

NSP

20.

Smal waterweegbree (Alisma gramineum) en slank waterweegbree (Alisma lanceolatum) zijn van de/hetzelfde

a)

ras

b)

soort

c)

geslacht

d)

familie

21.

Wat is allopatrische soortvorming?

a)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een rivier

b)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend dagritme

c)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door verschillende baltsdansen

d)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend voedingspatroon

22.

Berkenbomen komen pas in een ecosysteem wanneer er voldoende humus in de grond. Berken zijn dus een...

a)

pioniersoort

b)

climaxsoort

c)

humusminnende soort

d)

profiteursoort

23.

Waarom komen er geen grote predatoren voor op kleine eilanden?

a)

De mens roeit deze vaak snel uit wanneer ze op een eiland komen

b)

Door evolutie passen dieren zich aan hun omgeving aan

c)

Grote dieren overleven vaak de overtocht naar een eiland niet

d)

Er is onvoldoende voedsel beschikbaar

24.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

25.

Wat is een biotische factor in een sloot?

a)

Stroming

b)

Algendichtheid

c)

Temperatuur van het water

d)

Zoutgehalte

26.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

27.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
28.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
29.
Welke van de volgende ideeën hebben de evolutietheorieën van Darwin als Lamarck gemeenschappelijk?
a)
Adaptatie is het resultaat van interactie tussen een organisme en zijn omgeving.
b)
Adaptatie is het resultaat van het gebruiken of niet gebruiken van een anatomische structuur.
c)
Onderzoek naar fossielen geeft aan dat soorten onveranderlijk zijn.
d)
Evolutie drijft een organisme naar een grotere complexiteit.
30.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
31.

Aan welke voorwaarden voldoet een goed-opgesteld voedselweb?

a)

De pijlen volgen de richting van de voedselstromen

b)

Er staat altijd een producent in

c)

Benoem soortsnamen (zoals genoemd in de opgave)

d)

De pijlen moeten recht zijn

e)

Er mogen groepen genoemd worden

32.

Van welk type samenleven is er sprake bij jou en jouw darmflora?

a)

symbiose

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

mutualisme

e)

parasitisme

33.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

34.
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
a)
Die is zeer waarschijnlijk kleiner dan 1000.
b)
Die is zeer waarschijnlijk groter dan 1000.
c)
Die kan met evenveel kans groter of kleiner zijn dan 1000.
35.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
36.

Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

a)

consumenten van de 1e orde

b)

producenten

c)

reducenten

d)

consumenten van de 2e orde

37.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
38.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

39.

Een vleeseter kan voorkomen in de ........... schakel van de voedselketen

a)

Eerste

b)

Tweede

c)

Derde en hogere

40.

Reducenten zijn hetzelfde als afvaleters

a)

waar

b)

niet waar

41.

Welke organismen uit de afbeelding kunnen zowel consument van de tweede als de eerste orde zijn? (goed kijken)!!

a)

De uil en de haas

b)

De slang en de kraanvogel

c)

De slang en de uil

d)

De kraanvogel en de uil

42.

Met welke kleur pijl wordt de verbranding gegeven?

a)

Rood

b)

Zwart

43.

Welk cijfer geeft de fotosynthese aan?

a)

1

b)

4

c)

2

d)

5

44.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een groep bavianen in een savanne?

a)

Populatie

b)

Biotoop

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteem

45.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras -> krekel -> vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de populatiegrootte van de vogels?

a)

Die wordt groter

b)

Die blijft gelijk

c)

Die neemt af

46.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras -> krekel -> vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid gras?

a)

Die neemt af

b)

Die blijft gelijk

c)

Die neemt toe

47.

Het is paarseizoen. Vijf paar vogels willen een nestje bouwen in een struik waar plek is voor drie paar vogels.


Is dit een voorbeeld van concurrentie of samenwerking?

a)

Concurrentie

b)

Samenwerking

48.

Wat is biomassa?

a)

De energierijke stoffen in de levenloze natuur

b)

De energierijke stoffen in de levende natuur

c)

Het gewicht van alle organismen in een ecosysteem

d)

Het gewicht van alle abiotische factoren in een ecosysteem

49.

Welke symbiotische relaties is dit?


Een kever imiteert de geur van mierenlarven en wordt hierdoor meegenomen naar de het nest van de mieren om daar larven gevoed te krijgen van de mieren.

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

50.

Welke symbiotische relatie is dit?


Verpleegsterhaaien eten de parasieten op die op de huid van een walvishaai leeft.

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

51.

Welke symbiotische relatie is dit?


In Kenia worden de maaltijdresten van roofdieren vaak door gieren opgegeten

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

52.

Epifyten zijn planten die hoog in bomen op takken groeien. Hierdoor kunnen ze meer licht vangen dan op de grond. Ze 'stelen' geen voedingsstoffen van de boom waar ze in leven. Van welk type van symbiose is hier sprake?

a)

Mutualisme

b)

Commensalisme

c)

Parasitisme

53.

Reducenten (bacteriën en schimmels) breken dode organische materialen af. Welke omstandigheden zorgen voor de snelste afbraak van organische stoffen?

a)

Koude temperaturen

b)

aerobe omgeving (zuurstofrijk)

c)

Meer koolstof dan stikstof in het organisch materiaal

d)

Lage pH (zure omgeving)

54.

In elke schakel van de voedselketen gaat energie verloren. Waardoor is dit?

a)

Niet alle onderdelen van de organismen worden gegeten

b)

Niet alles wat gegeten wordt, wordt ook verteerd en opgenomen in het lichaam

c)

Een deel van de voedingsstoffen wordt verbrand en komt vrij als warmte, CO2 en H2O

d)

De organismen van de volgende schakel zijn altijd lichter dan de vorige

e)

Alle consumenten nemen geen zon op waardoor er geen extra energie wordt vastgelegd

55.

Sommige boeren gebruiken gifstoffen tegen onkruid. Welke schakel in de voedselketen heeft de meeste last van de gifstoffen? (oftewel: in welke schakel is de concentratie gifstoffen het hoogst?)

a)

Producenten

b)

Consumenten van de 1e orde

c)

Consumenten van de 2e orde

d)

Consumenten van de 3e orde (toppredator in dit geval)

56.

Een kind van twee gezonde ouders heeft een erfelijke aandoening. Het allel voor deze erfelijke aandoening moet dus aanwezig zijn bij de ouders. De ziekte is niet X-chromosomaal.

Erft deze erfelijke ziekte dominant of recessief over of is dit niet te bepalen?

a)

recessief

b)

dominant

c)

niet te bepalen

57.

H7 evolutie: Door welke factor neemt de invloed van genetic drift op de genenpool toe?

a)

Een sterke natuurlijke selectie

b)

Een grote populatie

c)

Immigratie

d)

Inteelt

58.

H15 Ecosystemen: In welk van de volgende trofische niveaus zullen we waarschijnlijk de hoogste P/I ratio vinden?

a)

Producenten

b)

Consumenten 1e orde

c)

Consumenten 2e orde

d)

Deze is ongeveer gelijk

59.

Door mutaties en geslachtelijke voortplanting kunnen organismen ontstaan met nieuwe genotypen.

a)

juist

b)

onjuist

60.
Enkele organen zijn:
1. de borstvinnen van een dolfijn;
2. de blindedarm bij de mens;
3. de voorpoten van de mol.
Welke van deze organen zijn rudimentair?
a)
alleen 1
b)
alleen 2
c)
alleen 3
d)
alleen 1 en 2
61.

Verwantschap bij gewervelden wordt bewezen door

a)

een analoog bouwplan (analoog = verschillend)

b)

een homoloog bouwplan (homoloog = gelijk)

62.

Kijk naar de afbeelding. Je ziet een poot van een konijn, een poot van een sprinkhaan en een poot van een kikker.

Welke van deze poten vertonen een homologe bouw?

a)

konijn en sprinkhaan

b)

kikker en konijn

c)

kikker en sprinkhaan

63.

Wat is de definitie van natuurlijke selectie

a)

Het best aangepaste organisme in de populatie is het meest succesrijk in het doorgeven van hun genen aan de volgende generaties.

b)

De dieren met de beste aanpassing overleven.

c)

Er vind een verschuiving van de allelfrequentie plaats.

d)

Gedurende lange tijd geen voortplanting tussen de 2 verschillende populaties, zodat er een nieuw soort kan ontstaan

64.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

65.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
66.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

67.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

68.

Wat speelt GEEN rol bij genetic drift

a)

Toeval

b)

Grote populatie

c)

Verschuiving van de allel frequentie

d)

Kleine populatie

69.

Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn en dus dezelfde voorouder hebben.

a)

juist

b)

onjuist

70.

De wetenschappelijke naam van de buizerd is Buteo lagopus.

Drie andere vogels zijn: Buteo rufinus, Lagopus mutus en Lagopus lagopus.

Welke van deze drie vogels is het nauwst verwant met Buteo lagopus?

a)

Lagopus lagopus

b)

Buteo rufinus

c)

Lagopus mutus

71.
a)

Haaien zijn eerder ontstaan dan beenvissen

b)

Beenvissen zijn meer verwant aan haaien dan aan amfibieën

c)

Amfibieën zijn een voorouder van zoogdieren

d)

Reptielen en vogels hebben een gemeenschappelijke voorouder

72.

In het onderzoek werden onder andere baleinwalvissen, dwergherten, giraffen, kamelen en zwijnen betrokken. Tussen welke twee van deze diergroepen komt het DNA het minst overeen?

a)

tussen baleinwalvissen en giraffen

b)

tussen zwijnen en baleinwalvissen

c)

tussen zwijnen en giraffen

d)

tussen kamelen en baleinwalvissen

73.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

74.

Wat is een voorbeeld van een tolerantiegebied?

a)

De temperatuur in een gebied die varieert tussen 0o C en 30o C.

b)

De zuurgraad (pH) van het water moet voor een bepaalde vis tussen de 5 en 7 zijn om daar te kunnen leven.

c)

De verspreiding van herten op de Veluwe is willekeurig in groepen.

d)

In de Waddenzee leven er gemiddeld 0.6 krabben per m3.

75.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
76.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

77.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie