wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Cel, spijsvertering, zenuwstelsel en circulatiestelsel

Total questions: 40

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Welk weefsel heeft als functie:

Bescherming en opname/afgifte van stoffen

(a)  

2.

De celmembraan is semi-permeabel. Wat betekent dit?

a)

Kleine molecuelen kunnen het membraan makkelijk passeren, bijvoorbeeld O2

b)

Zowel grote als kleine moleculen kunnen het membraan makkelijk passeren

c)

Kleine moleculen kunnen het membraan makkelijk passeren, zoals suiker

d)

Voor het transport van CO2 is een ingewikkeld mechanisme nodig

3.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

4.

Stap 1: een hap nemen. Wat hoort er wel bij? (niet alles is incorrect)

a)

speeksel

b)

kiezen

c)

fijnmalen

d)

slokdarm

e)

dikke darm

5.

Stap 3. Welke zinnen zijn correct? In je maag.... (Meer dan één juiste)

a)

doodt je maagzuur ziektekiemen.

b)

wordt je eten nog fijner gemaakt.

c)

worden voedingsstoffen naar het bloed gebracht.

d)

wordt er een dikke soep gemaakt van je eten.

e)

zit het eten wel een paar uur lang.

6.

Stap 4: De dunne darm.... (meerdere zijn goed)

a)

is wel 6 meter lang.

b)

maakt het eten nóg kleiner.

c)

zorgt voor de eerste opname van voedingsstoffen in het bloed.

d)

is niet zo belangrijk.

e)

laat je scheten laten.

7.

Stap 6: In de endeldarm ....

a)

wordt je poep opgeslagen totdat het eruit kan.

b)

wordt je ontlasting en urine opgeslagen totdat het er uit kan.

c)

worden de maagsappen in urine omgezet.

d)

zorgen scheten ervoor dat je moet poepen.

8.

Stap 5: In de dikke darm... (meerdere correct)

a)

wordt al het vocht uit je eten gehaald.

b)

worden de laatste voedingsstoffen aan het bloed toegevoegd.

c)

zitten véél bacteriën.

d)

is het altijd gezellig.

e)

wonen de bacteriën in kleine huisjes.

9.

Hoe heet orgaan 2?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Endeldarm

d)

Twaalfvingerige darm

10.
Welk orgaan maakt gal?
a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

11.

De weg van het voedsel is:

a)

Mond, maag, dunne darm, dikke darm, 12-vingerige darm, endeldarm, anus

b)

Mond, dunne darm, maag, dikke darm, anus, 12-vingerige darm, endeldarm, slokdarm

c)

Mond, Slokdarm, maag, 12-vinherige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus

d)

ansu, endeldarm, dikke darm, dunne darm, 12-vingerige darm, maag, slokdarm, mond

12.

Welk enzym is voor de vertering van koolhydraten?

a)

Lipase

b)

Pepsine

c)

Insuline

d)

Amylase

13.

Wat is waar over katabolisme?

a)

Grote moleculen worden afgebroken tot kleinere, kost energie

b)

Grote moleculen worden afgebroken tot kleine, levert energie

c)

Kleine moleculen omgezet in grotere, kost energie

d)

Kleine moleculen omgezet in grotere, levert energie

14.

Wat is de functie van de grote bloedsomloop?

a)

Zuurstof ophalen bij het hart en naar de longen brengen.

b)

Zuurstof bij de longen halen en terugbrengen naar het hart.

c)

Zuurstof naar de organen brengen en afvalstoffen terug naar het hart brengen.

15.

Welk nummer geeft de linkerkamer aan?

a)

4

b)

6

c)

11

d)

13

16.

Welk nummer geeft de longader aan

a)

9

b)

8

c)

2

d)

1

17.

In welk bloedvat pompt de rechterkamer het bloed?

a)

De longslagader

b)

De longader

c)

De aorta

d)

De onderste holle ader

18.

Wat is de functie van de rechterboezem?

a)

Die heeft geen functie

b)

Die pompt bloed naar de rechterkamer

c)

Die pompt bloed naar het lichaam

d)

Die pompt bloed naar de linkerkamer

19.

De juiste volgorde van de hartslag is:

1. Boezems trekken samen.

2. Kamers trekken samen.

3. Rust/pauze.

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Tussen welke twee aangegeven nummers zou het bloed door de halvemaanvormige kleppen moeten stromen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

tussen 4 en 5

b)

tussen 5 en 11

c)

tussen 9 en 8

d)

tussen 8 en 15

21.

Welk bloedvat voorziet de hartspier zélf van de benodigde zuurstof en voedingsstoffen?

a)

de onderste holle ader

b)

de aorta

c)

de kransslagader

d)

daarvoor is geen speciaal bloedvat.

22.

De rechter helft van het hart pompt bloed naar de longen

a)

juist

b)

onjuist

23.

De harttussenwand vormt de scheiding tussen

a)

de linker boezem en linker kamer

b)

de rechter boezem en rechter kamer

c)

longader en longslagader

d)

de linker- en rechterhelft van het hart

24.

Volgorde van het stromen van bloed

a)

rechter boezem - rechter kamer - longen - linker boezem - linker kamer

b)

rechter kamer - rechter boezem - longen - linker boezem - linker kamer

c)

linker boezem - linker kamer - longen - rechter boezem - rechter kamer

d)

linker kamer - linker boezem - longen - rechter boezem - rechter kamer

25.

De hartkleppen zorgen er voor dat

a)

het bloed niet van de boezem naar de kamers stroomt

b)

het bloed niet in de longen stroomt

c)

het bloed niet van de kamer naar de boezem stroomt

d)

het bloed niet vanuit de longslagader terug de kamer in loopt

26.

Als de kamers samentrekken staan de hartkleppen open

a)

juist

b)

onjuist

27.

Hierdoor stroomt het bloed niet vanuit de slagaders terug de kamers in

a)

halvemaanvormige kleppen

b)

hartspieren

c)

hartkleppen

d)

boezem

28.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van kleppen?

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

29.

In welke richting gaan de impulsen van de gevoelszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

30.

Plaats waar twee zenuwcellen contact maken

(a)  

31.

Wat is de functie van het laagje om elke uitloper in een zenuw

a)

Deze isoleren de uitlopers van elkaar

b)

Deze geven stevigheid aan de uitlopers

c)

Deze geven vorm aan de uitlopers

32.

Wat wordt er aangegeven met 2

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Korte uitloper

d)

Lange uitloper

e)

isolerende laag

33.

Wat wordt er aangegeven met 3

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Korte uitloper

d)

Lange uitloper

e)

isolerende laag

34.

Wat is de taak van:

gevoelszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

35.

Wat is de taak van:

bewegingszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

36.

Wat is de taak van:

schakel(zenuw)cellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

37.

In welke richting gaan de impulsen van de gevoelszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

38.

Het animale zenuwstelsel regelt de acties in je lichaam waar je je NIET bewust van bent.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Ruggenmergzenuwen, grote en kleine hersenen

b)

grote en kleine hersenen, tussenhersenen, hersenstam en ruggenmerg

c)

Hersenzenuwen, ruggenmerg en ruggenmergzenuwen

d)

Grote en kleine hersenen, ruggenmerg, hersenzenuwen en ruggenmergzenuwen

40.

Wat gebeurt er met je ademhaling als je parasympatische zenuwstelsel aan het werk is?

a)

De ademhaling vertraagt

b)

De ademhaling versnelt