wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4 Kader 3

Total questions: 39

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme zal een cel geen celkern bevatten?

a)

organisme 1

b)

organisme 2

c)

organisme 3

d)

organisme 4

2.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme zal een cel geen celwand bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

3.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme kan een cel bladgroenkorrels bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

4.
Jouw lichaam bestaat uit cellen. Hebben die cellen een celwand?
a)
Ja
b)
Nee
5.
Wanneer behoren organismen tot één soort?
a)
Als ze samen nakomelingen kunnen krijgen
b)
Als ze samen voort kunnen planten
c)
Als ze meer dan één nakomeling kunnen krijgen
d)
Als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen
6.
Welk rijk is het enige rijk met bladgroenkorrels?
a)
Planten
b)
Dieren
c)
Schimmels
d)
Bacteriën
7.

welke van de onderstaande celkenmerken wordt niet gebruikt bij ordening?

a)

celkernen

b)

celwanden

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

8.

Een zeester is ..................symmetrisch

a)

niet

b)

tweezijdig

c)

veelzijdig

9.

Wat voor een soort skelet heeft een mossel?

a)

inwendig

b)

uitwendig

10.

Heeft een spons een inwendig of uitwendig skelet of geen skelet?

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

11.

Heeft een kwal een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

12.
Bij welke hoofdafdeling hoort de kwal?
a)
Holtedieren
b)
Kwallen
c)
Weekdieren
d)
Sponzen
13.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
14.

Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...

a)

Inwendig skelet

b)

Beschermend skelet

c)

Hard skelet

d)

Uitwendig skelet

15.

Een zee-egel behoort bij de..............

a)

zoogdieren

b)

stekelhuidigen

c)

geleedpotigen

d)

reptielen

16.

Tot welke groep behoren de insecten?

a)

zoogdieren

b)

stekelhuidigen

c)

geleedpotigen

d)

reptielen

17.

Bij welke afdeling hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Geen van allen

18.
Welk van de onderstaande organismen is een zaadplant?
a)
Appelboom
b)
Haarmos
c)
Paddenstoel
d)
Stekelvaren
19.

Bij welke stam hoort het organisme op de afbeelding?

a)

Wieren

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

20.

Een viooltje behoort bij de ......................

a)

sporenplanten

b)

zaadplanten

21.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.


Tot welk rijk behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Schimmels

b)

Dieren

c)

Planten

22.

Wat is het doel van ordenen van organismen?

a)

Om te bepalen welke organismen het grootst zijn

b)

Om te bepalen welke organismen het snelst groeien

c)

Om te bepalen welke organismen gevaarlijk zijn

d)

Om te kijken naar overeenkomstige kenmerken

23.

Welke van de volgende organismen behoort tot het Rijk van de schimmels?

a)

Vis

b)

Paddenstoel

c)

Anemoon

d)

Bacterie

24.

Wat is kenmerkend voor schimmelcellen?

a)

Ze hebben bladgroenkorrels en een celwand

b)

Ze hebben een celkern en bladgroenkorrels

c)

Ze hebben geen vacuolen en een celwand

d)

Ze hebben geen bladgroenkorrels maar wel een celwand

25.

Eén bacterie die Brechje onderzoekt deelt zich elk half uur. Brechje plaatst 20 van deze bacterie in een bakje en wacht een half uur. Hoeveel bacteriën zullen er na een half uur zijn?

a)

20

b)

40

c)

400

d)

het goede antwoord staat er niet

26.

Wanneer iemand last heeft van een bacteriële infectieziekte dan kan hij/zij beter (a)   innemen

27.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

28.

Wat is geen kenmerk van een bacterie.

a)

Heeft geen celkern.

b)

Heeft een celwand.

c)

Heeft een vacuole.

d)

Voortplanting door celdeling.

29.

Schimmels planten zich voort door celdeling. Bij gistcellen gaat dit op een speciale manier te zien op de afbeelding. Hoe heet dit?

(a)  

30.

Welk woord hoort te staan bij nummer 1?

(a)  

31.

Organismen die dode resten afbreken noem je?

(a)  

32.

Zijn bacteriën en schimmels nuttig of schadelijk?

a)

Ze zijn alleen nuttig.

b)

Ze zijn allemaal schadelijk.

c)

Ze zijn nuttig en schadelijk.

d)

Geen idee.

33.

Wat is geen voorbeeld van biotechnologie?

a)

Het hormoon insuline wordt gemaakt door het gebruik van bacteriën.

b)

Met de schimmel peniceline wordt het medicijn antibiotica gemaakt.

c)

Door bij melk bacteriën toe te voegen krijg je yoghurt.

d)

Appels gebruiken om te bakken zoals appeltaart.

34.

Welke plant behoort niet tot de vaatplanten?

a)

mossen

b)

paardenstaarten

c)

varen

d)

zaadplanten

35.

Welke groep van de planten heeft geen echte wortels?

(a)  

36.

Welke dieren zijn meestal koudbloedig?

a)

reptielen en amfibieën

b)

reptielen en vogels

c)

amfibieën en vogels

d)

vissen en zoogdieren

37.

Op de afbeelding zie je een bepaalde stam van de dieren.

Deze dieren hebben allemaal 1 kenmerk hetzelfde.

Over welk kenmerk gaat het?

(a)  

38.

Hoe planten reptielen (b.v. krokodil) zich voort?

a)

Levendbarend

b)

Eieren zonder schaal

c)

Eieren met leerachtige schaal

d)

Eieren met kalkschaal

39.

Wat is determineren?

a)

Door te determineren bekijk je een dier goed.

b)

Determineren betekent uit elkaar halen.

c)

Determineren betekent dat je een organisme op naam kunt brengen.

d)

Determineren is het kleuren van een preparaat.