wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema hart en bloedvaten + transport

Total questions: 39

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Het bloedvatenstelsel vervoert:

a)

Bloed

b)

Zuurstof en koolstofdioxide

c)

Zuurstof, koolstofdioxide en glucose

d)

Zuurstof, koolstofdioxide, glucose en afvalstoffen

2.

De juiste omschrijving van de volgorde waarin het bloed van de kleine bloedsomloop stroomt is:

a)

Hart - longen - hart

b)

Hart - alle organen - hart

c)

Longen - hart - longen

d)

Alle organen - hart - alle organen

3.

De juiste omschrijving van de volgorde waarin het bloed van de grote bloedsomloop stroomt is:

a)

Hart - longen - hart

b)

Hart - alle organen - hart

c)

Longen - hart - longen

d)

Alle organen - hart - alle organen

4.

Bloed zit in de rechterboezem en gaat daarna verder stromen. Langs welke drie onderdelen komt dit bloed als eerste langs?

a)

Linkerboezem - linkerkamer - aorta

b)

Rechterkamer - longader - longen

c)

Rechterkamer - longslagader - longen

d)

Linkerkamer - longslagader - longen

5.

Alle aders zijn uiteindelijk direct verbonden met dit bloedvat:

a)

Aorta

b)

Holle ader

c)

Longader

d)

Longslagader

6.

Kim maakt een opdracht over het hart. Ze moet invullen wat de linker- en wat de rechterkant van het hart is.

De linkerkant van het hart zit op papier

a)

Ook links

b)

Rechts

7.

Een bloedvat loopt van je hart naar je hersenen toe. Dit bloedvat heet:

(a)  

8.

Dit bloedvat loopt van je darmen naar je lever:

(a)  

9.

Dit bloedvat loopt van je nieren naar je hart toe:

(a)  

10.

Dit bloedvat zit op het hart en brengt vers bloed naar het hart toe.

(a)  

11.

Uit welke onderdelen bestaat het bloedvatenstelsel?

a)

Alleen slagaders en het hart

b)

Alleen aders en het hart

c)

Alleen haarvaten en het hart

d)

Bloedvaten en het hart

12.

Een mens beschikt over een dubbele bloedsomloop. Hierbij is er een kleine bloedsomloop en een grote bloedsomloop. Binnen welke bloedsomloop wordt het zuurstofarme bloed weer zuurstofrijk gemaakt?

a)

Tijdens de kleine bloedsomloop

b)

Tijdens de grote bloedsomloop

13.

Op de afbeelding zie je bepaalde bloedvaten afgebeeld die beschikken over kleppen. Welke bloedvaten zijn dit?

(a)  

14.

Op welke afbeelding staan de haarvaten afgebeeld?

a)
b)
c)
15.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol binnen ons afweersysteem tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

16.

Waar of niet waar?

Slagaders vervoeren over het algemeen zuurstofrijk bloed. De longslagader vervoert echter zuurstofarm bloed.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Waar of niet waar?

Zuurstofrijk bloed wordt in afbeeldingen aangeven met de kleur blauw.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Wat is de naam van de grootste slagader van ons lichaam?

a)

Longslagader

b)

Beenslagader

c)

Armslagader

d)

Aorta

19.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
20.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
22.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
23.

Wat is een ander woord voor een injectie met verzwakte ziekteverwekkers:

(a)  

24.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

25.

Welke weg is juist?

a)

Nier - urineleider - urinebuis - blaas

b)

Nier - urinebuis - blaas - urineleider

c)

Nier - urineleider - blaas - urinebuis

26.

Door de geheugencellen word je niet meer ziek als je de ziekteverwekker nog eens binnen krijgt. Je lichaam heeft al antistoffen, doordat je ziek bent geweest. Je noemt dat ook wel dat je (a)   bent tegen de ziekte.

27.

Na een inenting(vaccin) gaat je lichaam....

a)

Antigenen maken

b)

Antistoffen maken

c)

Vreetcellen maken

28.

Door een vaccin word je net zo ziek als door de echte ziekte

a)

Waar, je lichaam reageert hetzelfde als op de echte ziekte

b)

Niet waar, je wordt minder ziek

29.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

30.

De eerste verdedigingslinie van het lichaam werkt door:

a)

Witte bloedcellen

b)

Huid, slijmvliezen

c)

Witte bloedcellen, huid en slijmvliezen

31.

De tweede verdedigingslinie van het lichaam werkt door:

a)

Witte bloedcellen

b)

Huid, slijmvliezen

c)

Witte bloedcellen, huid en slijmvliezen

32.

De derde verdedigingslinie van het lichaam werkt door:

a)

Witte bloedcellen

b)

Huid, slijmvliezen

c)

Witte bloedcellen, huid en slijmvliezen

33.

Wat doen de nieren?

a)

Ze filteren het bloed

b)

Ze filteren de urine

34.

Wat maken de nieren?

a)

Bloed

b)

Urine

c)

Afvalstoffen

35.

Welk type vloeistof bevindt zich op plaats p?

a)

Bloedplasma

b)

Weefselvloeistof

c)

Lymfe

36.

Op welk punt lijken lymfevaten op aders?

a)

In aders en lymfevaten zitten kleppen

b)

In aders en lymfevaten zitten slechts op twee plaatsen kleppen.

c)

In aders en lymfevaten zitten geen kleppen

37.

Waarom wordt de bloedsomloop van de mens een dubbele bloedsomloop genoemd

a)

Omdat het bloed per omloop twee keer door het hart gaat.

b)

 Omdat het hart zuurstofarm en zuurstofrijk bloed vervoert.

c)

Omdat de bloedsomloop bestaat uit aders en slagaders

38.

Wat zijn de functies van weefselvloeistof?

a)

alleen koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren

b)

alleen zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren

c)

Beide functies zijn juist

d)

Beide functies zijn onjuist

39.

Wat kan een vaccin tegen een ziekteverwekker bevatten?

a)

De ziekteverwekker zelf, maar dan een hele kleine hoeveelheid

b)

Een dode of verzwakte ziekteverwekker.

c)

Een andere ziekteverwekker die er heel erg op lijkt, maar waar je niet ziek van kan worden.

d)

Witte bloedcellen die antistoffen maken tegen de ziekteverwekker.