wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K8 oefenen

Total questions: 43

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
2.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje?
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
3.
Welk soort gewricht zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
4.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
5.
De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
7.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
c)
rolgewricht
8.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
9.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
10.
Lijmstof verbrandt in een vlam
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
c)
peergewricht
d)
rolgewricht
12.
Welke beenderen maken samen je borstkas?
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
13.
Welk paar beenderen vormt geen gewricht?
a)
heupbeen en dijbeen
b)
borstbeen en ribben
c)
opperarmbeen en ellepijp
d)
middenhandsbeentjes en vingerkootjes
14.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
15.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
16.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
17.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
18.
Hoe heet deel 3?
a)
Spier
b)
Antagonist
c)
Pees
d)
bot
19.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
20.
Kalk lost op in zoutwater
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Met welk nummer wordt het borstbeen aangegeven?
a)
Nummer 3
b)
Nummer 4
c)
Nummer 5
d)
Nummer 6
22.
Het scheenbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
23.
Met welk nummer  is het borstbeen aangeven?
a)
4
b)
7
c)
8
d)
9
24.
Met welke nummer wordt de wervelkolom aangeven?
a)
4
b)
10
c)
15
d)
16
25.
Wat is nummer 23?
a)
opperarmbeen
b)
spaakbeen
c)
kuitbeen
d)
scheenbeen
26.
Met welk nummer worden handwortelbeentjes aangegeven?
a)
17
b)
18
27.
Met welk nummer wordt een sleutelbeen aangeven?
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6
28.
Met welk nummer wordt het opperarmbeen aangeven?
a)
6
b)
9
c)
14
d)
20
29.
Met welk nummer wordt de ellepijp aangeven?
a)
13
b)
14
30.
Met welk nummer wordt het middenvoetsbeentje aangeven?
a)
24
b)
25
c)
26
d)
27
31.
Wat is nummer 15?
a)
heupbeen
b)
staartbeen
c)
heiligbeen
32.
Waar bestaat bot uit?
a)
zouten en lijmstof
b)
kalk en mineralen
c)
kalk en houtlijm
d)
kalk en lijmstof
33.
Welk nummer is het schouderblad?
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
34.
De borstwervels zijn in deze tekening 
a)
Rood
b)
Blauw
c)
Geel
d)
Groen
35.
De lendenwervels zijn in deze tekening 
a)
Rood
b)
Blauw
c)
Geel
d)
Groen
36.
Het heiligbeen is in deze tekening 
a)
Rood
b)
Blauw
c)
Geel
d)
Groen
37.
De nekwervels zijn in deze tekening 
a)
Geel
b)
Blauw
c)
Rood
38.
Bij paraplegie zit de dwarsleasie in:
a)
Nekwervels of lendenwervels
b)
Nekwervels of hoge borstwervels
c)
Lage borstwervels of lendenwervels
39.
Hoe heet het bot dat hier gebroken is?
a)
Vingerkootje
b)
Middenhandsbeentje
c)
Handwortelbeentje
d)
Voetwortelbeentje
40.
Je ziet hier zeker GEEN breuk in:
a)
Opperarmbeen
b)
Dijbeen
c)
Ellepijp
d)
Teenkootje
41.
Het gebroken bot heet:
a)
Schouderblad
b)
Heupbeen
c)
Sleutelbeen
d)
Ribben
42.
Deze twee spieren zijn:
a)
Antagonisten
b)
Agonisten
c)
Antigenen
d)
Antiekanisten
43.
Deze twee spieren:
a)
werken samen in dezelfde richting
b)
werken samen in tegengestelde richting
c)
spannen tegelijk aan
d)
ontspannen tegelijkertijd