wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloedsomloop klas 2

Total questions: 34

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welk nummer is een rode bloedcel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

2.

Welk nummer is een witte bloedcel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

3.

Welk nummer is een bloedplaatje?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

4.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

5.

Welke naam heeft nummer 3 ?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

6.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

7.

De grote bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

8.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers vollopen met bloed zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

9.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

10.

Kijk goed naar de afbeelding. De naam van nummer 4 is

a)

aorta

b)

longader

c)

longslagader

d)

holle ader

11.

Iemand heeft een ziekte waardoor zijn rode bloedcellen helemaal niet of niet goed hun werk meer kunnen doen. Waar kan deze persoon allemaal last van hebben?

a)

niet snel moe, veel energie om dingen te doen

b)

snel moe, maar wel genoeg energie om dingen te doen.

c)

snel moe en weinig energie om dingen te doen

d)

niet snel moe, maar ook niet genoeg energie om dingen te doen.

12.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
13.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
14.

Iemand heeft longontsteking en hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in de darm, in de cellen van de longen terecht?

a)

Via de grote en de kleine bloedsomloop

b)

alleen via de kleine bloedsomloop

c)

Alleen via de grote bloedsomloop

d)

Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop

15.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
16.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
17.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
18.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
19.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

20.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

21.

Klik aan wat er in bloedplasma aanwezig is. (Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

Bloedplaatjes

b)

Eiwitten

c)

Water

d)

Bloedcellen

e)

Opgeloste stoffen

22.

Rode bloedcellen krijgen hun rode kleur door een bepaald stofje. Door deze stof worden de rode bloedcellen niet alleen rood, maar kunnen ze ook makkelijk zuurstof opnemen.

Hoe heet deze stof?

(a)  

23.

Bloedplaatjes zorgen voor bloedstolling.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Patiënten met de ziekte aids zijn gevoeliger voor ziekteverwekkers dan gezonde mensen. Ze krijgen bijvoorbeeld snel een longontsteking. Dat komt doordat bepaalde bloeddeeltjes door het aidsvirus (hiv) worden vernietigd.

Welke bloeddeeltjes worden door het aidsvirus vernietigd?

a)

Bloedplaatjes

b)

Rode bloedcellen

c)

Witte bloedcellen

25.

Bekijk de afbeelding

Welk letter geeft een antistof aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

26.

Iemand die immuun is voor corona kan nog wel waterpokken krijgen

a)

waar

b)

niet waar

27.

Wat zijn antistoffen?

a)

Lichaamsvreemde stoffen

b)

Ziekteverwekkers

c)

Een soort organisme

d)

Een stofje wat door witte bloedcellen wordt gemaakt

28.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

29.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

30.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

31.

Een vaccin bevat dode of verzwakte ziekteverwekkers

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Welke 3 onderdelen van het lichaam houden vreemde stoffen tegen?

a)

De huid

b)

Haren

c)

Slijmvliezen

d)

Zoutzuur in de maag

e)

Tanden

33.

Wanneer heb je een infectie?

a)

Als ziekteverwekkers op je zitten

b)

Als ziekteverwekkers in je lichaam zitten

c)

Als ziekteverwekkers in je lichaam dood zijn

34.

Wanneer heb je een allergie?

a)

Als je lichaam ziekteverwekkers niet aanvalt

b)

Als je lichaam ziekteverwekkers wel aanvalt

c)

Als je lichaam andere dingen dan ziekteverwekkers aanvalt

d)

Als je lichaam zichzelf aanvalt