wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema Ecologie (klas 3)

Total questions: 82

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

2.

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties in een levensgemeenschap in zoetwater schematisch weergegeven. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.

Bij welk nummer moet een plantensoort worden ingevuld?

a)

1

b)

2

c)

3

3.

Een regenbui is een abiotische factor

a)

juist

b)

onjuist

4.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is

nestgelegenheid een biotische factor.

a)

juist

b)

onjuist

5.

In afbeelding 1 zijn enkele voedselrelaties schematisch weergegeven. Drie

schakels, 1, 2 en 3, zijn in afbeelding 2 niet ingevuld.

Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?

a)

garnaal

b)

kever

c)

kikker

d)

krokodil

6.

Kikkervisjes eten alleen de organismen die in schakel 1 thuishoren.

Tot welke groep behoren kikkervisjes?

a)

planteneters

b)

vleeseters

c)

alleseters

7.

In afbeelding 4 zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee

weergegeven.

Hoeveel voedselketens zijn in de afbeelding weergegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

8.

Populaties maken deel uit van een ecosysteem.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Op de stam van een beuk groeien algen. Onder deze beuk groeien paddenstoelen

op de afgevallen beukenbladeren. Op de levende bladeren aan de boom leven

bladluizen. Lieveheersbeestjes eten de bladluizen.

Welke van deze organismen zijn reducenten?

a)

Algen

b)

Bladluizen

c)

Lieveheersbeestje

d)

Paddenstoel (Schimmel)

10.

Op de stam van een beuk groeien algen. Onder deze beuk groeien paddenstoelen

op de afgevallen beukenbladeren. Op de levende bladeren aan de boom leven

bladluizen. Lieveheersbeestjes eten de bladluizen.

Welke van deze organismen zijn consumenten?

a)

Algen

b)

Lieveheersbeestjes

c)

Paddenstoel (schimmel)

11.

Wat is de populatiegrootte?

a)

Het aantal organismen in een ecosysteem

b)

Het aantal organismen in een levensgemeenschap

c)

Het aantal organismen in een populatie

12.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras -> krekel -> vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de populatiegrootte van de vogels?

a)

Die wordt groter

b)

Die blijft gelijk

c)

Die neemt af

13.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras -> krekel -> vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid gras?

a)

Die neemt af

b)

Die blijft gelijk

c)

Die neemt toe

14.

Wat is biomassa?

a)

De energierijke stoffen in de levenloze natuur

b)

De energierijke stoffen in de levende natuur

c)

Het gewicht van alle organismen in een ecosysteem

d)

Het gewicht van alle abiotische factoren in een ecosysteem

15.

Wat is een juist voedselketen?

a)

eikenboom --> rups --> merel --> buizerd

b)

rups --> merel --> buizerd

c)

eikenboom <-- rups <-- merel <-- buizerd

16.

Wat is geen reducent?

a)

schimmel

b)

worm

c)

bacterie

d)

champignon

17.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
19.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
20.

Een voorbeeld van een producent is

a)

mens

b)

alg

c)

bacterie

d)

schimmel

21.

Wanneer koolstof de plant binnen komt kan het de plant uitgaan als CO2

a)

waar

b)

niet waar

22.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
23.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
24.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
25.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
26.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
27.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
28.

Wat is biomassa?

a)

Massa van de levende organisme van de wereld

b)

Massa van de levende organisme in een gebied

c)

Massa van biologische brandstoffen

d)

Massa van de biologische producten

29.
Je ziet hier een luchtkanaal in een stengel. Deze komen voor bij...
a)
woestijnplanten
b)
schaduwplanten
c)
zonplanten
d)
waterplanten
30.
Voorjaarsbloeiers zijn...
a)
zonplanten
b)
schaduwplanten
31.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
32.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een droge omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
33.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een vochtige omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
34.

Waarvoor dienen de haren op bladeren van een plant?

a)

Verdamping tegen te gaan

b)

Minder aantrekkelijk zijn voor planteneters

c)

Betere zaadverspreiding

d)

Vaker geplukt worden

35.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

36.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

37.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

38.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een droge omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
39.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

40.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Uitdroging (dikke bladeren)

b)

Bescherming (schutkleur)

c)

Voeden (betere fotosynthese)

41.

Wat kan een plant doen tegen uitdroging? (Meerdere antwoorden goed)

a)

Veel wortels

b)

Kleine dikke bladeren

c)

Grote dunne bladeren

d)

Weinig wortels

e)

Stekels op de takken

42.

Waar op het blad verwacht je de huidmondjes bij een waterlelie?

a)

Deze heeft geen huidmondjes

b)

Aan de bovenkant van het blad

c)

Aan de onderkant van het blad

d)

Zowel aan de bovenkant als aan de onderkant van het blad

43.

Wat is de producent in deze voedselketen?

a)

De alg

b)

De garnaal

c)

Vis 1

d)

De vogel

44.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

45.

Wanneer en waar vind er in een plant fotosynthese plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

46.

welke energierijke stof ontstaat bij fotosynthese?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

47.

Water + 1 + licht --> 2 + zuurstof

Wat moet worden ingevuld bij 1? en wat bij 2?

a)

1=Glucose, 2=Voedingsstoffen

b)

1=koolstofdioxide, 2=glucose

c)

1=voedingsstoffen, 2=glucose

d)

1=voedingsstoffen, 2=koolstofdioxide

48.

De omzetting van glucose in energie heet ook wel ...

a)

fotosynthese

b)

verbranding

49.

Welke van de volgende stoffen zijn energiearm?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Eiwitten

50.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

51.

In welke delen kan deze plant zuurstof maken?

a)

in de bladeren en de bladstelen

b)

in de wortels en de bladstelen

c)

in de bladeren en de wortels

d)

in alle zichtbare delen

52.

Je ziet op deze afbeelding een wandelend blad in de aanvalshouding. Zij staat in het licht. Zij eet bladeren. Stel er is geen voedsel voor haar, zou zij zich zelf dan in leven kunnen houden met haar eigen lichaam?

a)

ja, zij kan zelf fotosynthese doen

b)

nee, zij kan alleen verbranding doen

c)

ja, want zij kan zowel fotosynthese als verbranding doen

53.

De energie die wij krijgen als we plantaardig voedsel eten komt eigenlijk van ...

a)

het water

b)

de koolstofdioxide

c)

de zon

d)

het bladgroen

54.

Welk van de volgende formules is de formule die bij fotosynthese hoort?

a)

water + glucose + koolstofdioxide --> zuurstof

b)

water + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

c)

glucose + zuurstof --> water + koolstofdioxide

d)

water + zuurstof --> glucose + koolstofdioxide

55.

Er vind verbranding plaats in het lichaam. Welke van de onderstaande reactievergelijkingen is juist?

a)

Glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water

b)

Glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water + energie

c)

Glucose + koolstofdioxide --> zuurstof + water + energie

d)

Glucose + zuurstof --> koolstofmonoxide + water + energie

56.

Wanneer en waar vind er in een plant verbranding plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

57.

Licht, temperatuur etc. zijn voorbeelden van .......................

a)

biotische factoren

b)

a-biotische factoren

58.

Welke van de antwoorden hieronder zijn biotische factoren?

Meer antwoorden mogelijk.

a)

predatoren

b)

bodemgesteldheid

c)

voedsel

d)

soortgenoten

59.

Een groep organismen van dezelfde soort in één bepaald gebied, die zich onderling voortplanten heet een ......

a)

ecosysteem

b)

levensgemeenschap

c)

individu

d)

populatie

60.

Op de afbeelding zie je een voorbeeld van een ........

a)

ecosysteem

b)

popuatie

c)

levensgemeenschap

d)

individu

61.

Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren in een gebied samen?

a)

ecosysteem

b)

bioom

c)

biotoop

d)

biosfeer

62.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
63.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
64.

Planteneters kunnen voorkomen in de ........... schakel van een voedselketen

a)

eerste

b)

tweede

c)

derde of hoger

65.

Een vleeseter kan voorkomen in de ........... schakel van de voedselketen

a)

Eerste

b)

Tweede

c)

Derde en hogere

66.

Deze paddenstoel is een voorbeeld van een reducent

a)

Waar

b)

Niet waar

67.

Reducenten zijn hetzelfde als afvaleters

a)

waar

b)

niet waar

68.

Welke organismen uit de afbeelding kunnen zowel consument van de tweede als de eerste orde zijn? (goed kijken)!!

a)

De uil en de haas

b)

De slang en de kraanvogel

c)

De slang en de uil

d)

De kraanvogel en de uil

69.

Welk cijfer geeft de fotosynthese aan?

a)

1

b)

4

c)

2

d)

5

70.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een groep bavianen in een savanne?

a)

Populatie

b)

Biotoop

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteem

71.

Waarom hebben dieren aanpassingen?

a)

Omdat ze dan een voordeel hebben in hun omgeving.

b)

Omdat dieren dan sneller zijn.

c)

Door fouten bij de ontwikkeling.

d)

Hier is geen reden voor.

72.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Vleugels

b)

Gestroomlijnd

c)

Bescherming

d)

Voeden

73.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Bescherming

b)

Bewegen

c)

Voeden

d)

Uitdroging

74.

Kruis alle aanpassingen aan leven in het water aan

a)

Gestroomlijnd lichaam

b)

Koudbloedig

c)

Vinnen

d)

Kieuwen

75.

Wat voor soort ganger is de mens?

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

d)

Voetganger

76.

Wat voor een soort poten heeft een hond?

a)

Zoolgangers

b)

Teengangers

c)

Topgangers

d)

Hoefgangers

77.

Een snavel die goed is voor stukken vlees scheuren is een

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

78.

Wat zijn wel vormen van lopen?

a)

Zoolganger

b)

Teenganger

c)

Topganger

d)

Hielganger

79.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Hoefganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

80.

Wat voor soort snavel heeft de eend op de afbeelding?

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

e)

Pincetsnavel

81.

Het skelet van landdieren is over het algemeen steviger dan het skelet van waterdieren.

a)

Juist

b)

Onjuist

82.

Aan de poten van deze vogels valt op dat drie tenen naar voren wijzen en één teen naar achteren wijst. Hiermee kunnen deze vogels op een dunne tak staan. Welke soort vogel is dit?

a)

Loopvogels

b)

Steltvogels

c)

Watervogels

d)

Zangvogels