Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vaste voorzetsels

Total questions: 43

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Vul het goede voorzetsel in:

Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.

a)

voor

b)

bij

c)

naar

d)

aan

2.

Vul het goede voorzetsel in.

_______ lezing van de tekst werd alles duidelijk.

a)

Bij

b)

Na

c)

Voor

d)

In

3.

Vul het goede voorzetsel in.

De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.

a)

met

b)

op

c)

naast

d)

tussen

4.

Vul het goede voorzetsel in.

Tijdens de vakantie hadden we de keuze __________ een tent of een caravan.

a)

voor

b)

aan

c)

uit

d)

met

5.

Vul het goede voorzetsel in.

De klant liet zich ________ een kluitje in het riet wegsturen.

a)

bij

b)

aan

c)

met

d)

voor

6.

Vul het goede voorzetsel in.

Kinderen laten zich gemakkelijk ________ een aankoop verleiden.

a)

in

b)

tot

c)

voor

d)

met

7.

Vul het goede voorzetsel in.

We danken u _____ voorbaat voor uw belangstelling.

a)

bij

b)

tot

c)

met

d)

voor

8.

Vul het goede voorzetsel in.

Vader stond er ______ dat we ons zouden verontschuldigen.

a)

in

b)

voor

c)

naast

d)

op

9.

Vul het goede voorzetsel in.

De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.

a)

in

b)

met

c)

naar

d)

voor

10.

Vul het goede voorzetsel in.

We zouden meer rekening moeten houden _______ elkaar.

a)

voor

b)

aan

c)

achter

d)

met

11.

Vul het goede voorzetsel in.

De docent twijfelt er niet ______ dat de leerling iets in zijn schild voert.

a)

voor

b)

aan

c)

voor

d)

tussen

12.

Vul het goede voorzetsel in.

Oma rekent _________ onze aanwezigheid tijdens het feest.

a)

met

b)

voor

c)

af

d)

op

13.

Vul het goede voorzetsel in.

Het bezoek had behoefte _______ een kop koffie.

a)

voor

b)

aan

c)

in

d)

af

14.

Vul het goede voorzetsel in.

Nu is ze opgezadeld _______ veel nakijkwerk.

a)

met

b)

voor

c)

na

d)

tussen

15.

Vul het goede voorzetsel in.

Klaas stoorde zich _______ de drukte in de klas.

a)

voor

b)

met

c)

in

d)

aan

16.

Vul het goede voorzetsel in.

Tijdens de vakantie hadden we de keuze __________ een tent of een caravan.

a)

voor

b)

aan

c)

uit

d)

met

17.

Vul het goede voorzetsel in.

Kinderen laten zich gemakkelijk ________ een aankoop verleiden.

a)

in

b)

tot

c)

voor

d)

met

18.

Vul het goede voorzetsel in.

Vader stond er ______ dat we ons zouden verontschuldigen.

a)

in

b)

voor

c)

naast

d)

op

19.

Vul het goede voorzetsel in.

We zouden meer rekening moeten houden _______ elkaar.

a)

voor

b)

aan

c)

achter

d)

met

20.

Vul het goede voorzetsel in.

Oma rekent _________ onze aanwezigheid tijdens het feest.

a)

met

b)

voor

c)

af

d)

op

21.

Vul het goede voorzetsel in.

Het bezoek had behoefte _______ een kop koffie.

a)

voor

b)

aan

c)

in

d)

af

22.
Ik ben voorzien .... genoeg oefenmateriaal.
a)
met
b)
van
c)
aan
d)
op
23.
Wij willen bijdragen .... een goede sfeer in de klas.
a)
aan
b)
bij
c)
in
d)
op
24.
Een onvoldoende kan leiden ... extra taken.
a)
naar
b)
in
c)
tot
d)
voor
25.
De jongen blonk uit ... wiskunde.
a)
in
b)
op
c)
met
d)
door
26.
De leerlingen hebben zin .... een spelletje.
a)
aan
b)
om
c)
in
d)
voor
27.
De juf is zich bewust .... de moeilijke vragen.
a)
van
b)
met
c)
door
d)
over
28.
In het kader ... gezond eten, mag er geen snoep meer verkocht worden.
a)
van
b)
bij
c)
door
d)
met
29.
Bij wijze ... uitzondering mogen jullie op je telefoon.
a)
op
b)
in
c)
naar
d)
van
30.
Op grond ... deze quiz kun je bepalen of je genoeg weet van vaste voorzetsels.
a)
voor
b)
van
c)
door
d)
bij
31.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

De leerlingen uit 2A streven ... fantastische resultaten.

(a)  

32.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Als je afwezig was, heb je recht ... extra uitleg.

(a)  

33.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Breek jij je het hoofd (a)   de leerstof?

34.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Buiten studeren is niet altijd een goed idee. Je cursus is niet bestand ... de regen.

(a)  

35.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Doe jij beroep ... een bijlesgever voor wiskunde?

(a)  

36.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Gaan toetsen gepaard ... veel stress.

(a)  

37.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Heb jij angst (a)   moeilijke examens?

38.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Vaak wijst de leerkracht je ... je fouten. Zo leer je eruit!

(a)  

39.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Zorg jij ... zo weinig mogelijk afleiding tijdens het studeren?

(a)  

40.

Vul het ontbrekende voorzetsel(voorwerp) in.

Een gouden raad: studenten hebben baat ... regelmaat.

(a)  

41.

Benoem het zinsdeel tussen haakjes:
De kinderen gaan spelen (in het park).

a)

vzv

b)

bwb

c)

lv

d)

nwd

42.

Benoem het zinsdeel tussen haakjes:
Denk jij even (om de melk)?

a)

vzv

b)

bwb

c)

lv

d)

nwd

43.

Wat denk jij (a)   die leerling