Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefening schimmel + botten

Total questions: 37

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Gewricht B is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

2.

Gewricht E is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

3.

Gewricht F is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

4.

De knie is een scharniergewricht

a)

Soms

b)

niet juist

c)

Juist

5.

In de wervelkolom zitten vergroeiingen en kraakbeengewrichten

a)

juist

b)

Niet juist

6.

van boven naar beneden zie je hier een

a)

Zadel-, scharnier- en rolgewricht

b)

Scharnier, zadel- en kogelgewricht

c)

Scharnier-, rol- en zadelgewricht

7.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

8.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

9.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

10.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 6?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

11.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 5?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

12.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 4?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

13.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
14.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

15.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

16.

Bij vergroeide botten is er...

a)

Geen beweging mogelijk.

b)

Een beetje beweging mogelijk.

c)

Veel beweging mogelijk.

17.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

18.

Zit de ellepijp aan de kant van de pink?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Welke uitspraak is waar?

a)

In kraakbeen zit evenveel lijmstof als kalk.

b)

In kraakbeen zit meer lijmstof dan kalk.

c)

In kraakbeen zit minder lijmstof dan kalk.

20.

Wat is de oorzaak van het feit dat baby’s hun eigen tenen in hun mond kunnen

steken?

a)

Het skelet van een baby bestaat vooral uit kraakbeen.

b)

In de botten van een baby zit veel kraakbeen.

c)

In de botten van een baby zit veel kalk en weinig lijmstof.

21.

Welk bot zit in je been?

a)

Kuitbeen

b)

Sleutelbeen

c)

Spaakbeen

d)

Heiligbeen

22.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

23.

Een plantencel heeft:

Meedere antwoorden mogelijk

a)

Een celwand

b)

Celkern

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celmembraan

24.

Is de volgende stelling juist of onjuist:

Bacterien hebben een celkern.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Bekijk de foto hiernaast. Welke onderdeel van de schimmel wordt met onderdeel 1 weergegeven ?

a)

De schimmeldraden

b)

De sporen

c)

De padenstoelen

d)

geslachtsorganen

26.

Bacterien bestaan uit meerdere cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Welke stelling is juist over schimmels?

a)

Cellen van schimmels hebben bladgroenkorrels maar geen celwand en geen celkern

b)

Cellen van schimmels hebben wel een celwand en een celkern maar geen bladgroenkorrels

c)

Schimmels hebben een celkern, bladgroenkorrels en een celwand

28.

Bacterien in je darmen helpen bij de vertering bij voedsel

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Bij warm weer leg je voedsel in de koelkast

a)

omdat het voedsel dan beter smaakt

b)

ziekmakende bacteriën kunnen zich dan minder voortplanten

c)

het hoeft niet, eigenlijk is dat onzin

d)

gezonde bacteriën blijven dan beter aanwezig in het voedsel

30.

Stelling 1:Dina zegt dat sla kan bederven door bacteriën, het stinkt dan.

Stelling 2:Robin zegt dat bij de bereiding van yoghurt bacteriën worden gebruikt

Welke van de stellingen is juist ?

a)

Alleen stelling 1 is juist

b)

Alleen stelling 2 is juist

c)

Beide onjuist

d)

Beide juist

31.

Bacteriën spelen een rol bij de productie van rode wijn

a)

juist

b)

onjuist

32.

Paddenstoelen behoren tot het rijk van de schimmels

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Nuttige bacteriën helpen bij: (twee antwoorden)

a)

voedsel maken zoals yoghurt en zuurkool

b)

genezen van wonden

c)

helpen voedsel te verteren in de darmen

d)

bederven voedsel

34.

schimmels zijn:

a)

altijd eencellig

b)

altijd meercellig

c)

kunnen eencellig en meercellig zijn

35.


Wat is een ander woord voor een injectie met verzwakte ziekteverwekkers.

a)

fascinatie

b)

serum

c)

entering

d)

vaccinatie

36.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol binnen ons afweersysteem tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

bloedplasma

37.

wat is het verschil tussen bacteriën en schimmels met betrekking op voortplanting?

a)

bacteriën delen zich en schimmels planten zich voort met schimmeldraden

b)

schimmels delen zich en bacteriën planten zich voort met bacteriedraden

c)

een bacterie kan zich seksueel voortplanten en een schimmel niet

d)

geen verschil