wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Biologie Quiz

Total questions: 53

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het eindproduct van de verbranding van glucose in het lichaam?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Stikstof

2.

Welk gas maakt het grootste deel uit van de lucht die we inademen?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Waterstof

d)

Stikstof

3.

Wat is de functie van ATP in het lichaam?

a)

Het is een afvalproduct

b)

Het dient als energiebron voor cellen

c)

Het reguleert de lichaamstemperatuur

d)

Het transporteert zuurstof

4.

Welk orgaan gebruiken insecten voor gaswisseling?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

d)

Huid

5.

Hoe vindt gaswisseling plaats bij eencellige dieren?

a)

Via speciale ademhalingsorganen

b)

Via het celmembraan

c)

Via tracheeën

d)

Via kieuwen

6.

Wat is de functie van kieuwplaatjes bij vissen?

a)

Filteren van voedseldeeltjes

b)

Productie van slijm

c)

Vergroten van het oppervlak voor gaswisseling

d)

Reguleren van de lichaamstemperatuur

7.

Welk orgaan gebruiken volwassen amfibieën voor gaswisseling naast hun longen?

a)

Kieuwen

b)

Tracheeën

c)

Huid

d)

Lever

8.

Hoeveel keer per minuut ademt een mens gemiddeld in rust?

a)

5 keer

b)

12 keer

c)

20 keer

d)

30 keer

9.

Wat is de functie van het strottenklepje?

a)

Produceren van stemgeluiden

b)

Filteren van lucht

c)

Afsluiten van de luchtpijp tijdens het slikken

d)

Reguleren van de ademhalingssnelheid

10.

Wat is de functie van de kraakbeenringen in de luchtpijp?

a)

Produceren van slijm

b)

Filteren van lucht

c)

Voorkomen dat de luchtpijp wordt ingedrukt

d)

Regelen van de luchtstroom

11.

Welke soort koolhydraten worden snel in ons bloed opgenomen?

a)

Complexe koolhydraten

b)

Eenvoudige koolhydraten

c)

Vezels

d)

Glycogeen

12.

Waar worden overtollige koolhydraten in het lichaam opgeslagen?

a)

In de lever en spieren als glycogeen

b)

In vetcellen

c)

In de nieren

d)

In het bloed

13.

Welk type vet wordt beschouwd als gunstig voor de gezondheid van het hart?

a)

Verzadigde vetten

b)

Transvetten

c)

Onverzadigde vetten

d)

Cholesterol

14.

Welke functie hebben eiwitten NIET in het lichaam?

a)

Celherstel

b)

Transport van stoffen

c)

Energieopslag

d)

Enzymproductie

15.

Hoeveel procent van ons lichaamsgewicht bestaat ongeveer uit water?

a)

50%

b)

60%

c)

70%

d)

80%

16.

Welke vitamines zijn vetoplosbaar?

a)

B-vitamines

b)

Vitamine C

c)

Vitamines A, D, E en K

d)

Alle vitamines

17.

Wat is de aanbevolen dagelijkse calorie-inname voor mannen?

a)

1500 kcal

b)

2000 kcal

c)

2500 kcal

d)

3000 kcal

18.

Welk type koolhydraten wordt geassocieerd met een verhoogd risico op overgewicht?

a)

Complexe koolhydraten

b)

Enkelvoudige koolhydraten

c)

Vezels

d)

Zetmeel

19.

Hoeveel verschillende vitamines zijn er in totaal?

a)

9

b)

11

c)

13

d)

15

20.

Wat is het belangrijkste verschil tussen vitamines en mineralen?

4 lines
21.

Hoeveel verschillende vitamines zijn er in totaal?

a)

9

b)

11

c)

13

d)

15

22.

Wat is het belangrijkste verschil tussen vitamines en mineralen?

a)

Vitamines zijn belangrijker dan mineralen

b)

Mineralen komen uit de levende natuur, vitamines niet

c)

Vitamines komen uit de levende natuur, mineralen uit de levenloze natuur

d)

Er is geen verschil tussen vitamines en mineralen

23.

Wat is de primaire functie van de bloedsomloop?

a)

Afvalstoffen produceren

b)

Zuurstof en voedingsstoffen naar organen brengen

c)

Bloed filteren

d)

Hormonen produceren

24.

Welk orgaan dient als de pomp van de bloedsomloop?

a)

Lever

b)

Nieren

c)

Longen

d)

Hart

25.

Wat is de functie van de kleine bloedsomloop?

a)

Bloed naar de spieren pompen

b)

Koolstofdioxide verwijderen en bloed met zuurstof verrijken

c)

Voedingsstoffen naar de hersenen brengen

d)

Bloed filteren in de nieren

26.

Welk type bloedvat voert bloed van het hart af?

a)

Aders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Venen

27.

Waar vindt de uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen met de cellen plaats?

a)

In de slagaders

b)

In de aders

c)

In de haarvaten

d)

In het hart

28.

Wat is de functie van de kleppen in de aders van de benen?

a)

Bloed filteren

b)

Bloeddruk verhogen

c)

Terugstromen van bloed voorkomen

d)

Zuurstof toevoegen aan het bloed

29.

Hoe worden de slagaders die het hart zelf van bloed voorzien genoemd?

a)

Aorta

b)

Kransslagaders

c)

Longslagaders

d)

Halsslagaders

30.

Wat gebeurt er tijdens een hartinfarct?

a)

Het hart stopt met kloppen

b)

Een kransslagader raakt afgesloten

c)

De longen vullen zich met vocht

d)

Het bloed stolt in de aders

31.

Hoeveel kamers heeft het menselijk hart?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

6

32.

Welk type bloed bevat normaal gesproken de meeste zuurstof?

a)

Bloed in de aders

b)

Bloed in de slagaders

c)

Bloed in de haarvaten

d)

Bloed in de rechterhelft van het hart

33.

Wat wordt bedoeld met 'reageren op prikkels'?

a)

Slapen

b)

Eten

c)

Gedrag vertonen

d)

Groeien

34.

Welke van de volgende is GEEN voorbeeld van een prikkel die organismen kunnen waarnemen?

a)

Licht

b)

Geluid

c)

Zwaartekracht

d)

Geur

35.

Wat is de functie van zintuigcellen?

a)

Prikkels omzetten in impulsen

b)

Bloed zuiveren

c)

Voedsel verteren

d)

Zuurstof produceren

36.

Wat bepaalt de gevoeligheid van een organisme voor een bepaalde prikkel?

a)

De grootte van het organisme

b)

De drempelwaarde van het zintuig

c)

De hoeveelheid voedsel die het organisme eet

d)

De temperatuur van de omgeving

37.

Welke functie heeft de huid NIET?

a)

Beschermend omhulsel

b)

Afweersysteem

c)

Zuurstofproductie

d)

Thermoregulatie

38.

Welke laag van de huid bevat zweetklieren en talgklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuids bindweef

39.

Welke laag van de huid bevat zweetklieren en talgklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Hoornlaag

40.

Hoeveel basissmaken kunnen de smaakknopjes waarnemen?

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

41.

Welk zintuig speelt een cruciale rol bij het onderscheiden van verschillende zoete smaken?

a)

Smaakzintuig

b)

Reukzintuig

c)

Gehoorzintuig

d)

Tastzintuig

42.

Wat is de functie van de gehoorbeentjes in het oor?

a)

Geluid produceren

b)

Geluidstrillingen doorgeven

c)

Evenwicht reguleren

d)

Oorsmeer produceren

43.

Wat gebeurt er met het beeld dat op je netvlies valt?

a)

Het wordt rechtstreeks naar de hersenen gestuurd

b)

Het wordt vergroot en rechtop gezet door de hersenen

c)

Het wordt kleiner gemaakt door de ooglens

d)

Het wordt omgekeerd door het hoornvlies

44.

Wat zijn biotische factoren?

a)

Factoren afkomstig van levenloze natuur

b)

Factoren afkomstig van levende wezens

c)

Factoren die alleen met temperatuur te maken hebben

d)

Factoren die alleen met water te maken hebben

45.

Welk organisme is een autotroof?

a)

Een leeuw

b)

Een schimmel

c)

Een plant

d)

Een bacterie

46.

Wat is de eerste schakel in elke voedselketen?

a)

Een consument

b)

Een reducent

c)

Een heterotroof

d)

Een producent

47.

Wat is een voedselweb?

a)

Een enkele voedselketen

b)

Meerdere voedselketens die schakels gemeenschappelijk hebben

c)

Een keten van alleen carnivoren

d)

Een keten van alleen herbivoren

48.

Welke organismen zijn reducenten?

a)

Planten en algen

b)

Vogels en zoogdieren

c)

Schimmels en bacteriën

d)

Vissen en amfibieën

49.

Wat is GEEN voorbeeld van een abiotische factor?

a)

Temperatuur

b)

Vochtgehalte in de bodem

c)

Aanwezigheid van roofdieren

d)

Hoeveelheid CO2 in de lucht

50.

Wat wordt bedoeld met een 'tolerantiegrens' bij organismen?

a)

De maximale hoeveelheid voedsel die ze kunnen eten

b)

De grenzen waarbinnen ze kunnen overleven onder bepaalde omstandigheden

c)

Het maximum aantal nakomelingen dat ze kunnen produceren

d)

De maximale grootte die ze kunnen bereiken

51.

Welk type poten hebben zoogdieren die op de toppen van hun tenen lopen met een hoef om elke teen?

a)

Zoolgangers

b)

Teengangers

c)

Topgangers

d)

Hoefgangers

52.

Welk type snavel hebben roofvogels die hun prooi moeten verscheuren?

a)

Kegelsnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Haaksnavel

d)

Priemsnavel

53.

Welke aanpassing helpt planten om minder water te verliezen in droge omgevingen?

a)

Grote bladeren

b)

huidmondjes

c)

Lange, diepe wortels

d)

Stekels op de stam