wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ketjes & de wereld

Total questions: 104

Worksheet time: 2hrs 39mins

Name
Class
Date
1.

Neervallende druppels water is ...

a)

regen

b)

motregen

c)

hagel

d)

onweer

2.

Waterdruppels op voorwerpen (condensatie), meestal 's morgens of 's avonds is ...

a)

mist

b)

motregen

c)

hagel

d)

dauw

3.

Aanvriezende neerslag is ...

a)

ijzel

b)

sneeuw

c)

hagel

d)

regen

4.

Waterdruppels bevriezen tot ijskristallen en dwarrelen naar beneden. Dit is ...

a)

regen

b)

sneeuw

c)

hagel

d)

onweer

5.

Bevroren neervallende druppels is ...

a)

mist

b)

sneeuw

c)

hagel

d)

regen

6.

Kleine waterdruppels die lijken te zweven in de lucht. Dit noemt men ...

a)

sneeuw

b)

motregen

c)

hagel

d)

mist

7.

Als er heel fijne waterdruppels langzaam naar beneden vallen, dan is er ...

a)

regen

b)

onweer

c)

motregen

d)

hagel

8.

Het ontstaat meestal bij warm en vochtig weer en het is een elektrische ontlading in de lucht. De bliksem vonkt en wordt gevolgd door een knal, de donder. Dit noemt men ...

a)

onweer

b)

regen

c)

hagel

d)

mist

9.

Als je wil weten hoeveel regen er gevallen is, dan gaan we kijken naar de ...

a)

windmeter of anemometer

b)

thermometer

c)

regenmeter of pluviometer

d)

windwijzer

10.

De hoeveelheid regen meten we met een regenmeter of pluviometer.

Duid aan: een regenmeter of pluviometer

a)

b)

c)

d)

11.

Door goed te kijken naar de bewolking, kan je weten welk weer het gaat worden.

Welk weer wordt het vandaag?

a)

Het is mooi weer.

b)

Er is een kleine kans op regen.

c)

Er is een grote kans op regen.

12.

Door goed te kijken naar de wolken, kan je al weten welk weer het gaat worden.

Welk weer wordt het vandaag?

a)

Het is mooi weer.

b)

Er is een kleine kans op regen.

c)

Er is een grote kans op regen.

13.

Door goed te kijken naar de bewolking, kan je weten welk weer het gaat worden.

Welk weer wordt het vandaag?

a)

Het is mooi weer.

b)

Er is een kleine kans op regen.

c)

Er is een grote kans op regen.

14.

Door goed te kijken naar de wolken, kan je al weten welk weer het gaat worden.

Welk weer wordt het vandaag?

a)

Het is mooi weer.

b)

Er is een kleine kans op regen.

c)

Er is een grote kans op regen.

15.

Met welk toestel worden de windrichtingen gemeten.

a)

Een windwijzer

b)

Pluviometer

c)

Anemometer

d)

Thermometer

16.

Wat is het instrument dat wordt gebruikt om de windsnelheid te meten?

a)

Barometer

b)

Thermometer

c)

Anemometer

d)

Pluviometer

17.

Als het vriest, is 0° C het...

a)

koudpunt

b)

vriespunt

c)

kwikpunt

18.

Met welk toestel meten we de temperatuur?

a)

pluviometer

b)

thermometer

c)

drukmeter

19.

Als de temperatuur .... nul is, is het heel koud.

a)

boven

b)

onder

c)

gelijk aan

20.

Hoe heet de vloeistof in een thermometer?

a)

kwik

b)

kwak

c)

bommel

d)

water

21.

Met een anemometer meten we

a)

De windrichting

b)

De windsnelheid

c)

Hoeveelheid regen

d)

De temperatuur

22.

De zon komt op in het

a)

Noorden

b)

Oosten

c)

Zuiden

d)

Westen

23.

Wat is de eerste stap in de waterkringloop?

a)

Regen

b)

Condensatie

c)

Neerslag

d)

Verdamping

24.

Waarom is de zon belangrijk voor de waterkringloop?

a)

De zon zorgt ervoor dat het water bevriest.

b)

De zon zorgt voor warmte, waardoor water verdampt.

c)

De zon trekt de wolken omhoog.

d)

De zon maakt de regen.

25.

Maak de zin af: De zon zorgt ervoor dat water ...

a)

verdampt

b)

verdwijnt naar de wolken

c)

bevriest

d)

verdwijnt

26.

Hoe heet het water dat we in de grond vinden?

a)

Rivierwater

b)

Regenwater

c)

Grondwater

d)

Zeeënwater

27.

Maak de zin: "De waterkringloop stopt ..."

a)

als de zon niet schijnt.

b)

als het winter is.

c)

als het niet regent.

d)

nooit.

28.

Welke volgorde is juist?

a)

verdamping → condensatie → afstroming → neerslag

b)

condensatie → verdamping → neerslag → afstroming

c)

verdamping → condensatie → neerslag → afstroming

d)

neerslag → condensatie → verdamping → afstroming

29.

Wat is neerslag?

a)

Het proces waarbij waterdamp in de lucht verandert in wolken.

b)

Het water dat verdampt door de zon.

c)

Water dat uit de lucht valt, zoals regen, sneeuw of hagel.

d)

Het water dat in de grond zakt.

30.

Waar staat de zon juist?

a)
b)
c)
d)
31.

Deze storm begint boven zee. In het midden (het oog) is het windstil. Maar daarrond is er enorm veel wind met veel regen en onweersbuien. Synoniemen zijn cycloon en tyfoon. Dit is een ...

a)

tornado

b)

onweer

c)

motregen

d)

orkaan

32.

Regent het en schijnt tegelijkertijd de zon, dan zie je soms een ...

a)

tornado

b)

sneeuwkristal

c)

regenboog

d)

orkaan

33.

Deze wervelwind ontstaat op het land, wanneer koude en warme lucht samenkomen. Als de slurf de grond raakt, maakt hij alles kapot wat op zijn weg komt. Dit is een ...

a)

onweer

b)

tornado

c)

orkaan

d)

regenboog

34.

Wat is wind?

a)

Wind is de neerslag die uit de wolken valt.

b)

Wind is een seizoen.

c)

Wind is een groep wolken.

d)

Wind is lucht die zich verplaatst.

35.

Waarom noemt men het de waterkringloop?

a)
  • Omdat water alleen uit rivieren en meren komt.

b)
  • Omdat water steeds rond gaat en nooit stopt.

c)
  • Omdat water alleen in de zomer verdampt.

d)
  • Omdat regen altijd op dezelfde plek valt.

36.

De waterkringloop is...

a)
  • het proces van regen en rivieren.

b)
  • water dat in de grond verdwijnt en nooit terugkomt.

c)
  • hoe water uit rivieren en zeeën verdampt en later als regen of sneeuw op aarde valt.

37.

Waardoor kunnen wolken zich verplaatsen?

a)

Door de regen

b)

Door de wind

c)

Door de zon

38.

De zon helpt water om te verdampen.

a)

waar

b)

niet waar

39.

Verdamping gebeurt alleen in de zomer.

a)

waar

b)

niet waar

40.

Verdampen betekent dat water verandert in ijs.

a)

waar

b)

niet waar

41.

Wolken bestaan uit kleine druppeltjes water.

a)

waar

b)

niet waar

42.

Wat is weer?

a)
  • Weer gaat over een korte periode

b)
  • Weer gaat over een lange periode

43.

Wat is klimaat?

a)
  • Klimaat gaat over een korte periode

b)
  • Klimaat gaat over een lange periode

44.

Wat zijn de kenmerken van een tropisch klimaat?

a)

    Warm en vochtig, veel regen, rond de evenaar, groeien veel planten

b)

Heet en droog, weinig neerslag, groeien weinig planten

45.

Wat zijn de kenmerken van een woestijnklimaat?

a)
    1. Warm en vochtig, veel regen, rond de evenaar, groeien veel planten

b)

Heet en droog, weinig neerslag, groeien weinig planten

46.

Wat zijn de kenmerken van een polair klimaat?

a)

Koud en droog, bij de polen 

b)
  • Niet te warm en niet te koud, seizoenen duidelijk aanwezig, zoals in België.

47.

Wat zijn de kenmerken van een gematigd klimaat?

a)

Koud en droog, bij de polen 

b)
  • Niet te warm en niet te koud, seizoenen duidelijk aanwezig, zoals in België.

48.

Welk klimaat heeft België?

a)

Woestijnklimaat

b)

Gematigd klimaat

c)

Polair klimaat

d)

Tropisch klimaat

49.
  1. Wie zorgt dat het klimaat verandert en dat er natuurrampen gebeuren?

a)

De dieren

b)

De planten

c)

De mens

50.
  1. Kijk naar de foto. Welke natuurramp wordt hier getoond?

a)

Overstroming

b)

Tornado

c)

Hittegolf

d)

Bosbrand

51.
  1. Kijk naar de foto. Welke natuurramp wordt hier getoond?

a)

Overstroming

b)

Tornado

c)

Hittegolf

d)

Bosbrand

52.
  1. Kijk naar de foto. Welke natuurramp wordt hier getoond?

a)

Overstroming

b)

Tornado

c)

Hittegolf

d)

Bosbrand

53.
  1. Kijk naar de foto. Welke natuurramp wordt hier getoond?

a)

Overstroming

b)

Tornado

c)

Hittegolf

d)

Bosbrand

54.

De aarde draait om zijn eigen as.

Hoe snel draait de aarde om zijn eigen as?

(2 juiste antwoorden)

a)

1 uur

b)

eenmaal per dag

c)

12 u

d)

24 u

55.

De aarde draait rond de zon.

Hoe snel draait de aarde rond de zon?

(3 juiste antwoorden)

a)

1 dag

b)

1 jaar

c)

12 maanden

d)

365 of 366 dagen

e)

1 maand

56.

Wat gebeurt er bij een vulkaanuitbarsting?

a)

De vulkaan zakt helemaal in elkaar.

b)

De vulkaan verdwijnt in zee.

c)

Er ontstaan aardbevingen onder de grond.

d)

Er komen lava, as en gassen uit de vulkaan.

57.

Wat is een mogelijk gevolg van vulkaanas (aswolk)?

a)

Het verdwijnt meteen in de lucht.

b)

Huizen en wegen raken bedekt, en het wordt moeilijk om te ademen

c)

Het zorgt voor meer regen

d)

Het maakt de lucht frisser en schoner

58.

Wat kan een gevolg zijn van een aardbeving?

a)

De aarde wordt warmer.

b)

Gebouwen kunnen instorten.

c)

Het gaat heel hard regenen.

d)

Er ontstaan nieuwe bergen.

59.

Welke van deze verschijnselen is GEEN natuurramp?

a)

Een vulkaanuitbarsting

b)

Een regenbui

c)

Een aardbeving

d)

Een orkaan

60.

Wat veroorzaakt een aardbeving?

a)

Het verschuiven van de aardplaten

b)

Te veel regen in een gebied

c)

Het uitbarsten van een vulkaan

d)

Een sterke wind in de bergen

61.

Wat is een mogelijk gevolg van een aardbeving?

a)

Grote scheuren in de grond

b)

Vloedgolven in de oceaan (tsunami)

c)

Instorting van gebouwen

62.

Wat kan een aardbeving onder water veroorzaken?

a)

Een tsunami

b)

Een bosbrand

c)

Vulkaanuitbarsting

d)

Een storm

63.

Wat is magma?

a)

Een gas dat uit een vulkaan komt

b)

Stof dat in de lucht zweeft

c)

Lava dat uit de vulkaan stroomt

d)

Gesmolten gesteente onder de grond

64.

Door de klimaatverandering gaan er minder natuurrampen voorkomen. 

a)

Waar

b)

Niet waar

65.

Klimaatverandering zorgt ervoor dat de aarde opwarmt.

a)

Waar

b)

Niet waar

66.

De aarde heeft ‘een dekentje’ rondom zich dat we de ozonlaag noemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

67.

Smelten van de ijskappen is een gevolg van de klimaatopwarming.

a)

Waar

b)

Niet waar

68.

1. Welke planeet is de grootste in ons zonnestelsel?

a)

Mercurius

b)

de aarde

c)

Jupiter

d)

Neptunus

69.

Welke planeet heeft giftige gassen en is de warmste planeet?

a)

Uranus

b)

Venus

c)

Jupiter

d)

Neptunus

70.

Welke planeet is de rode planeet?

a)

de aarde

b)

Mars

c)

Venus

d)

Jupiter

71.

Welke planeten zijn de aardachtige planeten?

a)

Mars

b)

Venus

c)

de aarde

d)

Mercurius

e)

Jupiter

72.

Welke planeten zijn de gasreuzen?

a)

Neptunus

b)

Jupiter

c)

Mars

d)

Saturnus

e)

Uranus

73.

Welke planeten zijn de ijsreuzen?

a)

Neptunus

b)

Jupiter

c)

Mars

d)

Saturnus

e)

Uranus

74.

Waarom wordt de aarde ook 'de blauwe planeet' genoemd ?

a)

Omdat de aarde wolken in de lucht heeft.

b)

Omdat de aarde voor het grootste deel bedekt is met water.

c)

Omdat er op aarde ijs is.

75.

Hoe heet deze planeet met zijn mooie ringen?

a)

Uranus

b)

Jupiter

c)

Saturnus

d)

Neptunus

76.

Wat is de kleinste planeet in ons zonnestelsel?

a)

Mercurius

b)

Saturnus

c)

Mars

d)

Venus

77.

Welke planeet staat het verst van de zon?

a)

Uranus

b)

Neptunus

c)

Mercurius

d)

Jupiter

78.

Hoeveel planeten zijn er in ons zonnestelsel?

a)

5

b)

8

c)

9

d)

10

79.

De dampkring is een soort 'dekentje' rond de aarde.

a)

waar

b)

niet waar

80.

De zee bestaat uit water. Welk soort water is dit?

a)

Zoet water

b)

Zout water

81.

Welke laag van de aarde is het warmst?

a)

De binnenste aardkern

b)

De buitenste aardkern

c)

De aardmantel

d)

De aardkorst

82.

Welke laag van de aarde is het koudst?

a)

de binnenste aardkern

b)

de buitenste aardkern

c)

de aardmantel

d)

de aardkorst

83.

Het heeft gesneeuwd. Het is warmer geworden waardoor de sneeuw veranderd is in water. Dit noemt men...

a)

verdampen

b)

smelten

c)

vriezen

d)

condenseren

84.

Het is het warmst bij de

a)

Noordpool

b)

Zuidpool

c)

Evenaar

85.

Dit is

a)

de binnenste aardkern

b)

de buitenste aardkern

c)

de aardmantel

d)

de aardkorst

86.

Dit is

a)

de binnenste aardkern

b)

de buitenste aardkern

c)

de aardmantel

d)

de aardkorst

87.

Dit is

a)

de binnenste aardkern

b)

de buitenste aardkern

c)

de aardmantel

d)

de aardkorst

88.

Dit is

a)

de binnenste aardkern

b)

de buitenste aardkern

c)

de aardmantel

d)

de aardkorst

89.

Wanneer er thee wordt gezet gaat water omgezet worden in stoom. Dit noemen we

a)

verdampen

b)

condenseren

c)

smelten

d)

stollen

90.

Wat gebeurt er in een wolk?

a)

verdampen

b)

condenseren

c)

smelten

d)

vriezen

91.

Het water van de vijver is ijs geworden. Dit noemen we

a)

verdampen

b)

condenseren

c)

smelten

d)

vriezen

92.

De sneeuw op de speelplaats is water geworden. Dit noemen we

a)

condenseren

b)

verdampen

c)

smelten

d)

vriezen

93.

Dit is de

a)

evenaar

b)

noordpool

c)

zuidpool

94.

Dit zijn de

a)

polen

b)

evenaar

95.

De mens is verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde.

a)

Waar

b)

Niet waar

96.

Welke gassen vormen de dampkring?

(a)  

97.

Dit is een ...

a)

Windvaan

b)

Windmeter

98.

Dit is een ...

a)

Windvaan

b)

Windroos

99.

Wind is lucht die zich verplaatst...

a)

Waar

b)

Niet waar

100.

Dit is een

a)

Windmolen

b)

Watermolen

101.

Een Noordpool en Zuidpool van een magneet ...

a)

stoten elkaar af

b)

trekken elkaar aan

102.

Magnetisme en zwaartekracht zijn onzichtbare krachten?

a)

Waar

b)

Niet waar

103.

De magnetische kracht tussen de polen zorgt voor een magnetisch veld over de aarde

a)

Waar

b)

Niet waar

104.

Door zwaartekracht valt alles naar omhoog 

a)

Waar

b)

Niet waar