

Het relatief pronomen
Presentation
•
Professional Development
•
1st Grade
•
Medium
Hella Bouman
Used 39+ times
FREE Resource
11 Slides • 44 Questions
1
Het relatief pronomen
Door Hella Bouman
2
We kunnen zinnen combineren met een relatief pronomen.
We gebruiken die voor de-woorden en dat voor het-woorden:
De man heeft een auto. De auto kost meer dan 10.000 euro.
De man heeft een auto die meer dan 10.000 euro kost.
Het kind wil een hondje. Het hondje heeft lange haren.
Het kind wil een hondje dat lange haren heeft.
3
Het relatief pronomen in pluralis is altijd die want het artikel in het pluralis is altijd de.
Ik kijk naar het kind. Het kind draagt een rode jurk.
Ik kijk naar het kind dat een rode jurk draagt.
Ik kijk naar de kinderen. De kinderen dragen een rode jurk.
Ik kijk naar de kinderen die een rode jurk dragen.
4
Multiple Choice
De opdrachten...
die we moeten maken, zijn moeilijk.
dat we moeten maken, zijn moeilijk.
5
Multiple Choice
Het werk...
die je doet, is belangrijk.
dat je doet, is belangrijk.
6
Multiple Choice
Ik zoek een docent...
die heel geduldig is.
dat heel geduldig is.
7
Multiple Choice
We kennen veel mensen...
die uit het buitenland komen.
dat uit het buitenland komen.
8
Multiple Choice
Ik heb een vriendinnetje...
Die uit Marokko komt.
Dat uit Marokko komt.
9
Multiple Choice
Ken jij het meisje...
die bij de receptie staat?
dat bij de receptie staat?
10
Multiple Choice
Welk meisje? Ik zie drie meisjes...
die bij de receptie staan.
dat bij de receptie staan.
11
Bij het + superlatief gebruiken we het relatief pronomen wat:
Dit is het liefste wat je ooit hebt gezegd.
Gewoon doorademen is het beste wat je kan doen.
12
Ook bij de volgende woorden gebruiken we het relatief pronomen wat:
Alles, niets, iets, weinig, veel, genoeg...
Alles wat ik wil, is dat je naar me luistert.
Er is niet veel wat je kan doen.
13
We gebruiken wat als we een hele zin bedoelen.
Ze is voor het examen geslaagd. Het slagen voor het examen is een fantastische prestatie.
Ze is voor het examen geslaagd, wat een fantastische prestatie is.
14
Multiple Choice
Dat is het gekste ... ik ooit gedaan heb.
die
dat
wat
15
Multiple Choice
Ik werk met kinderen ... ziek zijn.
die
dat
wat
16
Multiple Choice
Ik werk in de operatiekamer. Werken in de operatiekamer is heel intensief.
Ik werk in de operatiekamer ... heel intensief is.
die
dat
wat
17
Multiple Choice
Mijn nieuwe collega's zijn de leukste collega's ... ik ooit heb gehad.
die
dat
wat
18
Multiple Choice
Mijn kinderen blazen bellen. Ze vinden bellen blazen het leukste ... er is.
die
dat
wat
19
Multiple Choice
Werken met kinderen is het leukste ... er is.
die
dat
wat
20
Multiple Choice
Hij is de liefste man ... ik ken.
die
dat
wat
21
Multiple Choice
Er is veel ... ik van je kan leren.
die
dat
wat
22
Multiple Choice
Het boek ... ik lees, is heel interessant.
die
dat
wat
23
Poll
Mijn werk is het leukse ... er is.
die
dat
wat
24
Multiple Choice
Ik doe een cursus om in Nederland te kunnen werken. De cursus doen is heel intensief.
Ik doe een cursus om in Nederland te kunnen werken, ... heel intensief is.
die
dat
wat
25
Multiple Choice
Op deze bladzijde staat iets. Ik begrijp het niet.
Op deze bladzijde staat iets ... ik niet begrijp.
die
dat
wat
26
Multiple Choice
Dit is het interessantste ... ik ooit gelezen heb.
die
dat
wat
27
Multiple Choice
Dit is het interessantste boek ... ik ooit gelezen heb.
die
dat
wat
28
Multiple Choice
Ze is heel dik geworden, ... heel ongezond is.
die
dat
wat
29
Multiple Choice
Ik wil haar iets geven ... ze nog niet heeft.
die
dat
wat
30
Multiple Choice
Hij gaat naar China emigreren, ... we heel jammer vinden.
die
dat
wat
31
Multiple Choice
Ze is de leukste begeleider ... ik ken.
die
dat
wat
32
Multiple Choice
Het mooiste ... ik dit weekend gedaan heb, was een wandeling in de bergen.
die
dat
wat
33
Multiple Choice
We gaan altijd naar een strand... verboden is voor honden.
die
dat
wat
34
Bij een werkwoord met prepositie, gebruiken we de prepositie + wie voor mensen.
Ze is een vrouw. Je kan met haar praten.
Ze is een vrouw met wie je kan praten.
Hij is een muzikant. Ze schrijven veel over hem.
Hij is een muzikant over wie ze veel schrijven.
35
Bij een werkwoord met prepositie, gebruiken we de waar + prepositie voor dingen.
Dit zijn de problemen. Ik praat over de problemen.
Dit zijn de problemen waarover ik praat.
De films zijn ontspannend. We houden van de films.
De films waarvan we houden, zijn ontspannend.
36
Het relatief pronomen voor plaatsen en locatie is altijd waar.
Dat is het land. Ik heb gestudeerd in dat land.
Dat is het land waar ik gestudeerd heb.
Dat is de plek. Mijn pen ligt op die plek.
Dat is de plek waar mijn pen ligt.
37
Multiple Choice
Hij heeft spijt van zijn beslissing ... ik heel begrijpelijk vind.
die
dat
wat
38
Multiple Choice
De Poolse man .......... ze verliefd is, spreekt nog niet goed Nederlands.
waarop
wie op
op wat
op wie
39
Soms veranderen preposities als ze deel zijn van het relatief pronomen
met-mee
Ik werk met een computer. De computer waarmee ik werk is heel goed.
tot - toe
De samenwerking leidde tot een relatie. De relatie waartoe het leidde, is inmiddels uit.
uit- vandaan
Hij komt uit Tokyo De staat waarvandaan hij komt, is een wereldstad.
naar - naartoe
Ik ga naar de Filippijnen. Het land waarnaartoe ik ga, is heel ver weg.
40
Multiple Choice
Ik reis met de trein. de trein .... ik reis heeft vertraging.
waarmee
waarmet
41
Multiple Choice
IK werk met een leuke collega. De collega ... ik werk is vandaag niet op kantoor.
waarmee
met wie
42
Multiple Choice
De cursist is heel interessant. Ik praat over de cursist. De cursist ... praat, is heel interessant.
waarover
wie over
over wie
43
Multiple Choice
Jullie denken aan de vrouw. De vrouw is heel getalenteerd. De vrouw ... denken, is heel getalenteerd,
waaraan
wie aan
aan wie
44
Multiple Choice
Ik heb haar een bericht gestuurd. Ze heeft niet gereageerd op het bericht.
Ik heb haar een bericht gestuurd ... ze niet heeft gereageerd.
op waar
waarop
op wat
45
Multiple Choice
De arts heeft veel patiënten. Ze moet naar de patiënten luisteren.
De arts heeft veel patiënten ... ze moet luisteren.
waarnaar
naar wat
naar wie
46
Multiple Choice
Salzburg is een stad. Mozart is in Salzburg geboren. Salzburg is de stad ... Mozart geboren is.
waarin
in waar
waar
47
Multiple Choice
De oplossing... ik denk, is niet zo moeilijk.
aan waar
waaraan
aan wat
48
Multiple Choice
Daar is het huis ... onze vrienden wonen.
waar
waarin
in waar
49
Fill in the Blanks
Type answer...
50
Multiple Choice
Er zijn veel factoren. Het herstel van de patiënt hangt af van de factoren.
Er zijn veel factoren ... het herstel afhangt.
waarvan
van wie
51
Fill in the Blanks
Type answer...
52
Fill in the Blanks
Type answer...
53
Fill in the Blanks
Type answer...
54
Fill in the Blanks
Type answer...
55
Waar + prepositie worden vaak gescheiden. de prepositie staat dan aan het einde, voor de werkwoorden.
De computer waar ik vandaag mee werk, is kapot.
Ik ken het bedrijf waar de buren voor werken.
De dingen waar de meeste jongeren vaak aan denken, zijn voor ouderen niet zo interessant.
Het relatief pronomen
Door Hella Bouman
Show answer
Auto Play
Slide 1 / 55
SLIDE
Similar Resources on Wayground
48 questions
UD 6: Intervenció en activitats d'orientació i mobilitat
Presentation
•
KG
44 questions
Quimica- NEW
Presentation
•
1st Grade
46 questions
knowledge 12/11 25 Leccion 7 Conocimiento6
Presentation
•
1st Grade
52 questions
Formação e Patrimônio Cultural
Presentation
•
KG
45 questions
Basis 2 woordsoorten
Presentation
•
1st - 2nd Grade
50 questions
STS EDUCACIÓN INICIAL
Presentation
•
1st Grade
50 questions
Gestión De Inventario Y Almacenes
Presentation
•
KG - 1st Grade
52 questions
UD5: Intervenció en activitats de la vida diària
Presentation
•
KG
Popular Resources on Wayground
10 questions
GPA Lesson
Presentation
•
9th - 12th Grade
7 questions
Albert Einstein
Quiz
•
3rd Grade
31 questions
Bridge A Review
Quiz
•
3rd Grade
6 questions
Blue Sue and Red Ruth
Quiz
•
3rd Grade
8 questions
(Day12 HW) Inverse Trig Ratios
Quiz
•
9th Grade
20 questions
Summer Geometry QUIZ (Week3)
Quiz
•
9th Grade
16 questions
Theme Practice
Quiz
•
7th Grade
20 questions
Taxes
Quiz
•
9th - 12th Grade