wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Familierecht

Total questions: 25

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.
Wat is geen testamentvorm?
a)
Wettelijke verdeling
b)
Langstlevende testament
c)
Tweetrapsmaking
d)
Vruchtgebruik testament
2.
Stelling I: Een (afzondelijk gelegen) woonhuis behoort altijd tot het keuzevermogen
Stelling II: Indien een pand technisch spitbaar is dan moet de belastingplichtige een splitsing maken
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
3.
Waar dienen de wittebroodsweken voor?
a)
Tijd om alles juridisch te regelen
b)
Tijd om het huwelijk terug te draaien zonder gevolgen
c)
Tijd om gemeenschap van goederen aan te passen naar huwelijkse voorwaarden of omgekeerd
d)
Geen van al het bovenstaande
4.
Stelling I: Bij een samenlevingscontract is een testament noodzakelijk
Stelling II: In een verblijvingsbeding staan dingen waar de ander recht op heeft
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
5.
Welke goederen/rechten vallen wel in de gemeenschap van goederen bij huwelijk?
a)
Aandeel in een vennootschap onder firma
b)
Pensioen
c)
Schenking onder uitsluitingsclausule
d)
Onroerend goed op naam van een van de echtelieden
6.
Peter en Lia zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Peter drijft een onderneming in het pand op naam van Lia. Voor welke waarde staat het pand op de balans van Peter?
a)
Voor 0%, het pand is namelijk van Lia 
b)
Voor 50%, aangezien Peter en Lia zijn gehuwd in gemeenschap van goederen
c)
Voor 100%, het pand behoort volledig aan de onderneming
d)
Voor een ander percentage
7.
Stelling I: Om ongehuwd samen te wonen is het noodzakelijk om een samenlevingscontract te hebben
Stelling II: Bij het sluiten van een huwelijk is het kind dat uit het huwelijk is ontstaan automatisch erfgenaam
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
8.
De stakingswinst hoeft niet afgerekend te worden, maar kan doorgeschoven worden naar de toekomst door:
Stelling I: Ontbinding van de huwelijksgemeenschap
Stelling II: Overlijden
Stelling III: Overdracht naar medeondernemer of werknemer
a)
Alle stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I en III zijn juist
c)
Alleen stelling II en III zijn juist
d)
Alle stellingen zijn onjuist
9.
Bij welke situatie is geen toestemming van de partner vereist?
a)
Verhuren van de eigen woning
b)
Giften
c)
Kopen op afbetaling
d)
Hypotheek geven op de eigen woning
10.
Stelling I: Wanneer niet verrekend wordt binnen de termijn in de huwelijkse voorwaarden, blijft de verplichting tot verrekening staan
Stelling II: De vordering tot verrekening vervalt 5 jaar na de beëindiging van het huwelijk
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
11.
Stelling I: Als je gehuwd bent of een geregistreerd partnerschap bent aangegaan dien je een testament op te maken om iemand te onterven
Stelling II: Als je niet gehuwd bent of een geregistreerd partnerschap bent aangegaan dien je een testament op te maken om iemand op te nemen als erfgenaam
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
12.
Huwelijkse voorwaarden doe je onder andere voor:
I: De fiscaliteit
II: Bescherming tegen schuldeisers
III: Bestuursregeling
IIII: Een eerder huwelijk
a)
Alles is juist
b)
Alleen I en II zijn juist
c)
Alleen I en IIII zijn juist
d)
Alles is onjuist
13.
Na hoeveel jaar vervalt de vordering tot verrekening na beëindiging van het huwelijk?
a)
2 jaar
b)
3 jaar
c)
5 jaar
d)
Het vervalt niet
14.
Voor het aanvragen van een maatschap gelden 4 'voorwaarden'. Welke is NIET juist?
a)
Samenwerkingsverband tussen twee of meer natuurlijke personen
b)
Vrije beroepen
c)
Ieder aansprakelijk voor gelijke delen
d)
Geen inschrijving Kamer van Koophandel
15.
Wat is GEEN factor voor het daadwerkelijk voeren va neen onderneming?
a)
Zelfstandigheid
b)
Inschrijving bij de Kamer van Koophandel
c)
Het indienen van aangiften omzetbelasing
d)
Voeren van een administratie
16.
Stelling I: Voor de beëindiging van een samenlevingsovereenkomst is geen advocaat of notaris nodig
Stelling II: Een samenlevingsovereenkomst kan onderhands gesloten worden
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
17.
Stelling I: Een samenwerkingsverband in een maatschap kan bestaan uit een rechtspersoon  en natuurlijk persoon
Stelling II: Een maatschap moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
18.
Welke van de onderstaande ondernemingsvormen schrijft zich niet in bij de Kamer van Koophandel?
a)
Eenmanszaak
b)
Vennootschap onder Firma
c)
Maatschap
d)
Alle 3 schrijven zich in bij de KvK
19.
Stelling I: Een afzonderlijk gelegen woonhuis behoort toe aan het privé vermogen
Stelling II: Een auto behoort toe tot het keuzevermogen
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
20.
Stelling I: Huwelijkse voorwaarden maak je op voor de huwelijksdatum
Stelling II: Huwelijkse voorwaarden worden opgemaakt met een notariële akte
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
21.
Stelling I: De aandelen van een besloten vennootschap zijn niet vrij overdraagbaar
Stelling II: Voor een besloten vennootschap geldt een verplicht startkapitaal van € 18.000
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
22.
Wat regel je niet in een testament?
a)
Quasi wettelijke verdeling van het vermogen
b)
Verrekenbeding
c)
Aansturing van het erven van de onderneming
d)
Tweetrapsmaking
23.
Stelling I: Als een pand technisch niet splitsbaar is spreekt men van een verplicht ondernemingsvermogen
Stelling II: Bij vermogenskettering bepalen we wat tot het verplicht ondernemingsvermogen en wat tot het verplicht privé vermogen wordt gerekend
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
24.
Mark en Vera zijn in gemeenschap van goederen getrouwd en kopen in 2000 een woning voor € 200.000,-. Deze woning wordt gefinancierd met een hypothecaire geldlening van € 150.000,-. De overige € 50.000,- wordt door Vera ingebracht na ontvangst van een schenking van haar ouders waarbij een uitsluitingsclausule geldt. In 2016 willen Mark en Vera gaan scheiden. Op dat moment is de woning gestegen in waarde naar € 240.000,-. Welke bedrag ontvangen Mark en Vera in 2016 bij verkoop van de woning?
a)
Mark ontvangt € 45.000,- en Vera ontvangt € 45.000,-
b)
Mark ontvangt € 15.000-, en Vera ontvangt € 75.000,-
c)
Mark ontvangt € 20.000,- en Vera ontvangt € 70.000,-
d)
Mark ontvangt niets en Vera ontvangt € 90.000,-
25.
Stelling I: Ontbinding geregistreerd partnerschap moet via notaris en advocaat of via de Rechtbank
Stelling II: Echtgenoten hebben toestemming van elkaar nodig om bovenmatige giften te doen
Stelling III: Vanaf 1 januari 2017 bestaat 'in gemeenschap van goederen' niet meer
a)
Alle stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I en II zijn juist
c)
Alleen stelling I en III zijn juist
d)
Alle stellingen zijn onjuist