wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloedsomloop vwo 2 en havo 3 Ostrea

Total questions: 70

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel % van het bloed bestaat uit bloedplasma?
a)
45%
b)
75%
c)
55%
2.
Wat is de functie van witte bloedcellen?
a)
zuurstof transporteren
b)
ziekteverwekkers onschadelijk maken
c)
het bloed laten stollen
3.
Waar bevindt zich hemoglobine?
a)
In de rode bloedcellen
b)
In het bloedplasma
c)
In de bloedplaatjes
4.
De kleine bloedsomloop begint in de rechterkamer.
a)
niet waar
b)
waar
5.
Waar bevindt zich zuurstofrijk bloed?
a)
linkerkamer
b)
rechterkamer
c)
longslagader
6.
Waar bevinden zich de halvemaanvormige kleppen?
a)
Tussen de boezems en de kamers
b)
Aan het begin van de longader 
c)
Tussen de boezems
d)
Aan het begin van de longslagslagader en de aorta
7.
Hoeveel keer trekt zich een hartspier van een volwassene samen per minuut?
a)
70 keer
b)
20 keer
c)
40 keer
8.
Wanneer zijn de hartkleppen gesloten?
a)
Als de boezems zich samentrekken
b)
tijdens de hartpauze
c)
Als de kamers zich samentrekken
9.
Wat is de functie van fibrinogeen?
a)
transport van zuurstof
b)
Speelt een rol bij het opruimen van ziekteverwekkers
c)
Speelt een rol bij bloedstolling
d)
Geeft de rode kleur aan het bloed
10.
Welke cellen in het bloed kunnen van vorm veranderen?
a)
Rode bloedcellen
b)
Witte bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Fibrinecellen
11.
Welke cellen hebben geen kern?
a)
witte bloedcellen
b)
rode bloedcellen
c)
cellen in de wand van een bloedvat
d)
hartcellen
12.
Wat hebben deze soort cellen als functie?
a)
het vervoeren van voedingstoffen
b)
het gezond houden van het bloedvat
c)
het laten ontstaan van korstjes 
d)
het vervoeren van zuurstof
13.
Wat voor een cel zie je hier?
a)
virus
b)
voedingsstof 
c)
witte bloedcel
d)
bloedplaatje
14.
Wanneer heb je bloedarmoede?
a)
als je te weinig bloed hebt
b)
als je te weinig bloedplaatjes hebt
c)

als je te weinig rode bloedcellen hebt of een tekort aan hemoglobine

d)
als je te weinig bloedplasma hebt
15.
Welke bloedcel leeft?
a)
geen enkele bloedcel
b)
witte bloedcellen
c)
rode bloedcellen
d)
bloedplaatjes
16.
Welke bloedcel is geen hele cel?
a)
witte bloedcellen
b)
bloedplaatje
c)
rode bloedcellen
d)
geen van allen
17.
Pus bevat heel veel?
a)
dode witte bloedcelllen
b)
dode rode bloedcellen
c)
dode bloedplaatjes
d)
Dood bloedplasma
18.
De grote bloedsomloop begint in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
19.
De grote bloedsomloop eindigt in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
20.
De kleine bloedsomloop eindigt in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
21.
De kleine bloedsomloop gaat langs:
a)
longen
b)
hersenen
c)
maag 
d)
lever
22.

Welk bloedvat bevat veel zuurstof arm bloed en de meeste voedingsstoffen?

a)

poortslagader

b)

poortader

c)

longslagader

d)

longader

23.

Wat is het juiste antwoord?

1. Piet zegt: Als je bloedgroep B geeft aan iemand met bloedgroep AB, dan gaat het bloed klonteren

2. Ko zegt: bloedgroep AB kan alleen bloed krijgen van iemand met bloedgroep AB

a)

Alleen 1 is goed

b)

alleen 2 is goed

c)

beide antwoorden zijn goed

d)

beide antwoorden zijn fout

24.
De grote bloedsomloop gaat niet langs:
a)
longen
b)
hersenen
c)
maag 
d)
lever
25.
Het bloed in de grote bloedsomloop is aan het eind:
a)
zuurstofarm
b)
zuurstofrijk
26.

Als kind krijg je een vaccin tegen BMR. Welke ziektes worden er bedoeld met BMR?

a)

Bof, mazelen, rabiës

b)

Bof, mazelen, rode hond

c)

Bulten, mazelen, rode hond

d)

Bof, maden, rode hond

27.

DKTP staat voor

a)

difterie, kinkhoest, tetanus, polio

b)

diarree, kinkhoest, tyfus, polio

c)

diarree, kinkhoest, tetanus, pest

d)

difterie, kanker, tyfus, polio

28.
Het bloed in de kleine bloedsomloop is aan het eind:
a)
zuurstofarm
b)
zuurstofrijk
29.
De onderste holle ader vervoert bloed uit:
a)
alles onder het hart
b)
bij de benen en de romp
c)
de benen
d)
de romp
30.
hoe heet de dunste soort vertakking bij de bloedvaten
a)
haarvaten
b)
huidvaten
c)
celvaten
d)
microvaten
31.
Slagaders brengen bloed naar een orgaan.
a)
Waar
b)
Niet waar
32.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
33.

Witte bloedcellen reageren op de (vul in) van ziekteverwekkers

a)
antistoffen
b)
antigenen
34.
Na een vaccinatie ben je
a)
Ziek
b)
natuurlijk immuun
c)
Kunstmatig immuun
d)
verzwakt
35.
Wat is een ander woord voor inenten?
a)
Vaccineren
b)
Weerstand
c)
Immuunsysteem
36.
Wat zit er in een vaccin?
a)
Medicijnen
b)
Antistoffen
c)
Verzwakte ziekteverwekkers
d)
Goede bacteriën
37.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
38.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
39.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
40.
Wat is de functie van deze bloedcel
a)
Ziekte verwekkers bestrijden
b)
Zuurstof vervoeren
c)
Bloed laten stollen 
d)
CO2 vervoeren
41.
In het lichaam van een mens bevindt zich ongeveer
a)
4 liter bloed
b)
5 liter bloed
c)
6 liter bloed
d)
7 liter bloed
42.
De volgorde van een volledige hartslag is:
a)
boezemslag -> kamerslag -> hartpauze
b)
kamerslag -> boezemslag -> hartpauze
c)
boezemslag -> hartpauze -. kamerslag
d)
hartpauze -> kamerslag -> boezemslag
43.

Wielrenners trainen vaak een aantal weken voor een belangrijke wedstrijd in de bergen(hoogtetraining). Op hoogte wordt zuurstof minder goed gebonden aan de rode bloedcellen. Wat is de reactie van het lichaam hierop?

a)

aanmaak van meerdere rode bloedcellen

b)

aanmaak van meerdere bloedplaatjes

c)

aanmaak van meerdere witte bloedcellen

d)

meer aanmaak van alle hierboven genoemde bloedcellen

44.

Epo is een natuurlijk hormoon. Epo stimuleert de aanmaak van rode bloedcellen. Het toedienen van extra epo is verboden in de sport. Welke risico loopt men wanneer met epo als doping gebruikt en gedurende een wedstrijd en/of training te weinig drinkt?

a)

Kans op verstopping van een bloedvat doordat het bloed te stroperig wordt

b)

Kans op een overdosis aan zuurstof

c)

Kans op verstopping van een bloedvat doordat het bloed te dun wordt

d)

kans op een verstopping van een bloedvat doordat ook teveel witte bloedcellen worden geproduceerd waardoor het bloed stroperig wordt

45.

Welke bloedgroep kan aan iedereen bloed geven

a)

O

b)

A

c)

AB

d)

B

46.

De afvoerende bloedvaten die afvalstoffen en Co2 van de hartspier afvoeren zijn:

a)

de kransslagaders

b)

de onderste holle ader

c)

de bovenste holle ader

d)

de kransaders

47.

De kransaders komen uit in:

a)

de rechter boezem

b)

de rechter kamer

c)

de linker boezem

d)

de linker kamer

48.

nr 13 heet:

a)

darmslagader

b)

darmader

c)

poortader

d)

poortslagader

49.

nr 19 is

a)

de nierslagader

b)

de leverslagader

c)

de aorta

d)

de maagslagader

50.

nr 11 is de :

a)

aorta

b)

longslagader

c)

longader

d)

bovenste holle ader

51.

Bij sikkelcelanemie hebben de rode bloedcellen een afwijkende vorm. Welke nadelige gevolgen heeft voor de patient

a)

De rode bloedcellen kunnen minder goed zuurstof en voedingstoffen opnemen/binden waardoor de patient sneller moe is

b)

De rode bloedcellen kunnen minder goed voedingstoffen opnemen/binden waardoor de patient sneller moe is

c)

De rode bloedcellen kunnen minder goed zuurstof opnemen/binden waardoor de patient sneller moe is

52.

Als baby ben je als het goed is gevacineerd met de DKTP-prik.

Tegen welke ziektes word je met de DKTP- prik ingeënt?

a)

Difterie, kanker, tyfus, polio

b)

Difterie, kinkhoest, tetanus, pest

c)

Difterie, kinkhoest, tetanus, polio

d)

Difterie, kinkhoest, tyfus, polio

53.

Het BMR- vaccin bevat verzwakte of dodeziekteverwekkers van de ziektes:

a)

Bof, Mazelen, rabies

b)

Beri Beri, Mazelen, rode hond

c)

Beri Beri, mazelen, rabies

d)

Bof, mazelen, rode hond

54.

Hoe heten de eiwitten op de bloedcellen van de verschillende bloedgroepen?

(a)  

55.

Het bloedplasma vervoert voedingsstoffen en afvalstoffen

a)

waar

b)

niet waar

56.

Slagaders hebben kleppen

a)

waar

b)

niet waar

57.

Bij spataders

a)

werken de kleppen in de slagaders en de spierpomp niet goed

b)

werken de kleppen in de aders en de spierpomp niet goed

c)

werken de kleppen in de salgaders niet goed

d)

werken de kleppen in de aders niet goed

58.

Als je sport gaat er meer bloed naar de spieren en minder bloed naar je maag

a)

waar

b)

niet waar

59.

De hoeveelheid bloed die de rechter boezem en de linker boezem uit pompen naar de rechter en linker kamer is even groot

a)

waar

b)

niet waar

60.

De linker kamer pompt meer bloed uit uit dan de rechter kamer

a)

waar

b)

niet waar

61.

De linker kamer heeft een gespierdere wand dan de rechter kamer omdat

a)

de linker kamer het bloed de grote bloedsomloop in moet pompen en dit meer kracht kost

b)

de linker kamer het bloed de kleine bloedsomloop in moet pompen en dit meer kracht kost

62.

Bloedgroep A maakt antistoffen tegen

a)

Bloedgroep AB

b)

Bloedgroep O

c)

bloedgroep B

d)

Bloedgroep AB en B

63.

Bij een hartinfarct ontstaat er een verstopping in het bloedvat en krijgen de cellen achter de verstopping geen

a)

koolstofdioxide

b)

Voedingsstoffen

c)

voedingsstoffen en koolstofdioxide

d)

voedingsstoffen en zuurstof

64.

De verstopping bij een hartinfarct kan veroorzaakt zijn door

a)

een bloedprop in de kransslagader

b)

slagaderverkalking van een kransslagader

c)

vetafzetting aan binnenzijde van bloedvaten van de kransslagader

d)

alle 3 de oorzaken zijn mogelijk

65.

Bij een infectie kunnen de witte bloedcellen zich snel vermenigvuldigen om de ziekteverwekkers te bestrijden

a)

waar

b)

niet waar

66.

Mieke zegt: rode bloedcellen hebben een celkern

Kim zegt: witte bloedcellen kunnen van vorm veranderen

Bas zegt: witte bloedcellen gaan dood bij het bestrijden van ziekteverwekkers

a)

Mieke heeft gelijk

b)

Mieke en Kim hebben gelijk

c)

Mieke en Bas hebben gelijk

d)

Kim en Bas hebben gelijk

67.

Als je paracetamol inneemt tegen hoofdpijn komt de paracetamol 2x door het hart

a)

waar

b)

niet waar

68.

Alleen in de haarvaten vindt er stofwisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

69.

Hoe heet nummer 2?

(a)  

70.

Welk bloedvat zie je hier?

a)

haarvat

b)

slagader

c)

ader