Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten klas 1

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord. Ze hebben samen de overval gepleegd.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

2.

Benoem het onderstreepte woord. Ze hebben samen de overval gepleegd.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord. Ik vind dat een treurig nummer.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord. Daarop gaf hij zenuwachtig het antwoord.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord. De zaag is door Jan op de plank gelegd.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord. De zaag is door Jan op de plank gelegd.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

7.

Benoem het onderstreepte woord. Er zitten meerdere dieven in de cel.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

8.

Benoem het onderstreepte woord. Er zitten meerdere dieven in de cel.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

9.

Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

10.

Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

11.

Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

12.

Benoem het onderstreepte woord. Jan en Jochem zitten te praten over dat werkstuk.

a)

persoonlijk vnw

b)

bezittelijk vwn

c)

wederkerig vnw

d)

aanwijzend vnw

13.

Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.

a)

persoonlijk vnw

b)

bezittelijk vwn

c)

wederkerig vnw

d)

aanwijzend vnw

14.

Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.

a)

persoonlijk vnw

b)

bezittelijk vwn

c)

wederkerig vnw

d)

aanwijzend vnw

15.

Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.

a)

persoonlijk vnw

b)

bezittelijk vwn

c)

wederkerig vnw

d)

aanwijzend vnw

16.

Benoem het onderstreepte woord. De man heeft mijn dochter gered.

a)

persoonlijk vnw

b)

bezittelijk vwn

c)

wederkerig vnw

d)

aanwijzend vnw

17.

Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

18.

Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.

a)

onbepaald lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig werkwoord

19.

Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

hulpwerkwoord