WorksheetsWoordsoorten klas 1
Total questions: 19
Worksheet time: 10mins
Benoem het onderstreepte woord. Ze hebben samen de overval gepleegd.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Benoem het onderstreepte woord. Ze hebben samen de overval gepleegd.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Benoem het onderstreepte woord. Ik vind dat een treurig nummer.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Benoem het onderstreepte woord. Daarop gaf hij zenuwachtig het antwoord.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Benoem het onderstreepte woord. De zaag is door Jan op de plank gelegd.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. De zaag is door Jan op de plank gelegd.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. Er zitten meerdere dieven in de cel.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. Er zitten meerdere dieven in de cel.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. De weerberichten waren volgens deskundigen niet juist voorspeld.
voorzetsel
bijwoord
Benoem het onderstreepte woord. Jan en Jochem zitten te praten over dat werkstuk.
persoonlijk vnw
bezittelijk vwn
wederkerig vnw
aanwijzend vnw
Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.
persoonlijk vnw
bezittelijk vwn
wederkerig vnw
aanwijzend vnw
Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.
persoonlijk vnw
bezittelijk vwn
wederkerig vnw
aanwijzend vnw
Benoem het onderstreepte woord. Het is haar opgevallen dat zij elkaar niet spreken.
persoonlijk vnw
bezittelijk vwn
wederkerig vnw
aanwijzend vnw
Benoem het onderstreepte woord. De man heeft mijn dochter gered.
persoonlijk vnw
bezittelijk vwn
wederkerig vnw
aanwijzend vnw
Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.
onbepaald lidwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
Benoem het onderstreepte woord. Het kleine mannetje danste op één been.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
