wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Inleiding M&O - summary quiz

Total questions: 30

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Bij het oplossen van organisatievraagstukken (en HRM vraagstukken) kijken we naar:

a)

Structuur

b)

Strategie

c)

Cultuur

d)

Alle drie bovenstaande antwoorden zijn correct

2.

Bij de contingentiebenadering focust zich men voornamelijk op:

a)

Leren en leren leren

b)

Kwaliteit van de arbeid en organisatie, taakgroepen, zelfsturing

c)

Informele organisatie, groepsprocessen, leiderschap

d)

‘The one best way’ van organiseren, scheiding management en uitvoering, geldprikkel

e)

Organisatiestructuur volgt omgevingseisen

3.

Middle management neemt voornamelijk de volgende soort beslissingen:

a)

Strategische beslissingen

b)

Tactische (of organisatorische) beslissingen

c)

Operationele beslissingen

4.

Wanneer men beslissingen of instructies geeft m.b.t. het technische omvormingsproces (primair proces) dan wordt dit voornamelijk beinvloedt door:

a)

Interne bedrijfsproblemen die om oplossingen vragen

b)

Opkomende problemen uit de externe omgeving

c)

Zowel externe omgeving als interne bedrijfsproblemen

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

5.

Managers houden zich in het algemeen (over alle lagen van management) bezig met:

a)

Interpersoonlijke, informerende en besluitvormende activiteiten

b)

plannen, organiseren, opdrachten geven, coördineren, controleren

c)

Coaching en leiden van uitvoerende werknemers

d)

Het juist en tijdig uitvoeren van activiteiten

e)

Controleren op uitvoeren van activiteiten

6.

Er is spraken van een organisatie wanneer wanneer:

a)

Er een samenwerkingsverband is en een gemeenschappelijk doel

b)

Er een cultuur, structuur en strategie is

c)

Mens en management samen wordt gebracht

d)

Men organiseert

7.

In het primaire proces worden hulpbronnen gezien als input voor het technische omvormingsproces. Welke van de onderstaande antwoorden is geen hulpbron?

a)

Diensten

b)

Grondstoffen

c)

Machines

d)

Informatie

e)

Energie

8.

In welke fase van het primaire proces is er ruimte voor het oplossen van interne en externe problematiek?

a)

Hulpbronnen

b)

Technisch omvormingsproces

c)

Producten, Diensten

9.

Het vijfkrachtenmodel van Porter kijkt naar externe beinvloedende factoren, maar welke factoren gaat het over?

a)

Leveranciers, substituten, afnemers & potentiele toetreders

b)

Afnemers, substituten, leveranciers, concurrenten & bedrijfscultuur

c)

Afnemers, substituten, leveranciers, potentiele toetreder & bedrijfscultuur

d)

Leveranciers, substituten, afnemers, potentiele toetreders & concurrenten

10.

Volgens de BCG-portfoliobenadering is een "cash cow" een bedrijf dat:

a)

Laag marktaandeel en laag groeipotentieel heeft

b)

Laag marktaandeel en hoog groeipotentieel heeft

c)

Hoog marktaandeel en hoog groeipotentieel heeft

d)

Hoog marktaandeel en laag groeipotentieel heeft

11.

Een tool om de ontwikkelingen in de maatschappelijke omgeving in kaart te brengen is:

a)

BCG-portfolio analyse

b)

Business Model Canvas

c)

DESTEMP analyse

d)

Vijfkrachtenmodel van Porter

e)

Lean Manufacturing

12.

Het in kaart brengen van de bedrijfsstrategie kan gedaan worden middels:

a)

Business model canvas

b)

Six Sigma

c)

BCG-portfolio analyse

d)

Vijfkrachtenmodel van Porter

e)

Balanced Scorecard

13.

Een bedrijf kan van buitenaf beinvloed worden door (2 juiste antwoorden):

a)

Conjunctuur, Arbeidsmarkt & Politieke ontwikkelingen

b)

Maatschappelijke behoeften, Maatschappelijke ontwikkeling, normen

c)

Maatschappelijke behoeften, het management, tech ontwikkelingen

d)

Haar werknemers, Conjunctuur, Arbeidsmarkt

14.

Wat betreft personeel is er een trend dat:

a)

Door vergrijzing en de komende jaren veel werknemers met pensioen gaan

b)

Er meer buitenlandse medewerkers worden ingezet in Nederland door arbeidsmigratie

c)

Personeel steeds meer autonomie verlangt

d)

Alle drie de antwoorden zijn incorrect

e)

Alle drie de antwoorden zijn correct

15.

Naast de aard van de omgeving is bij het bepalen van een strategie het volgende belangrijk

a)

Wat wil men

b)

Wat kan men

c)

Wat is (extern) mogelijk

d)

Alle drie de antwoorden zijn correct

e)

Alle drie de antwoorden zijn incorrect

16.

Bij de klassieke organisatiebenadering focust men zich voornamelijk op:

a)

Leren en leren leren

b)

Kwaliteit van de arbeid en organisatie, taakgroepen, zelfsturing

c)

Informele organisatie, groepsprocessen, leiderschap

d)

‘The one best way’ van organiseren, scheiding management en uitvoering, geldprikkel

e)

Organisatiestructuur volgt omgevingseisen

17.

Wanneer een organisatie te maken heeft met een instabiele (turbulent) en homogene omgeving (aard v/d omgeving), welke soort organisatie is hier dan geschikt voor?

a)

Machinebureacreatie

b)

Professionele bureaucratie

c)

Adhocratie

d)

Pionier

18.

Wanneer een organisatie te maken heeft met een stabiele en heterogene omgeving (aard v/d omgeving), welke soort organisatie is hier dan geschikt voor?

a)

Machinebureacreatie

b)

Professionele bureaucratie

c)

Adhocratie

d)

Pionier

19.

Kenmerken van een professionele bureaucratie zijn:

a)

Grote variatie in functionele afdelingen & aanpassing door regels

b)

Structuur afgestemd op product/marktsegementen of projecten

c)

Standaardisatie en regels voldoen niet meer om aan omgevingseisen te voldoen & decentralisatie / regionalisatie

d)

Eenvoudige / functionele structuur, standaardisatie, regels & procedures

20.

Bij een BCG-portfolio analyse is onderdeel van het externe omgevingsonderzoek de:

a)

Kansen en bedreigingen

b)

Sterke en zwakke punten

c)

zowel kansen, bedreigingen, sterktes als zwaktes

d)

Geen van de antwoorden zijn correct

21.

Wanneer men de taakcyclus van medewerkers verlengt door middel van het uitbreiden van werkzaamheden op hetzelfde kwalitatieve niveau spreekt men van:

a)

Taakverruiming

b)

Taakverrijking

c)

Taakroulatie

d)

Geen van de antwoorden is juist

22.

Wanneer men de leidinggevende en uitvoerende functies weergeeft van medewerkers op verschillende hierarchische niveau's spreken we van:

a)

Lijn-staforganisatie

b)

Lijnorganisatie

c)

Matrixorganisatie

d)

Geen van de antwoorden is correct

23.

Wat zijn secundaire arbeidsvoorwaarden?

a)

Bedrijfsauto

b)

Structurele salarisverhoging

c)

Telefoongebruik

d)

Pensioen of levensverzekering

24.

Wat is geen deel van de pyramide van psychologische behoeften (Maslow)

a)

Zekerheid

b)

Waardering

c)

Fysiologische behoeften

d)

Wi-Fi

e)

Motivatie

25.

Als een organisatiecultuur een hoge samenwerkingsgraad heeft en een hoge mate van machtsspreiding (decentralisatie). Van welke type organisatiecultuur spreken we dan?

a)

Personencultuur

b)

Taakcultuur

c)

Rolcultuur

d)

Machtscultuur

26.

Een machtscultuur typeert zich door:

a)

Hoge samenwerkingsgraad & lage machtsspreiding (centralisatie)

b)

Lage samenwerkingsgraad & lage machtsspreiding (centralisatie)

c)

Lage samenwerkingsgraad & hoge machtsspreiding (decentralisatie)

d)

Hoge samenwerkingsgraad & hoge machtsspreiding (decentralisatie)

27.

De mate waarin een functie het leven of werken van anderen beinvloed. Hier praten wij over:

a)

Taakidentiteit

b)

Taakbelang

c)

Autonomie

d)

Geen van de antwoorden zijn juist

28.

Bij het formeleren van een strategie begint met met een situatieanalyse. Methoden voor het bepalen van de situatie van het bedrijf zijn:

a)

SWOT-analyse

b)

DESTEMP analyse

c)

Zowel DESTEMP als SWOT-analyse zijn juist

d)

Zowel DESTEMP als SWOT-analyse zijn onjuist

29.

Wat zijn volgens de value chain "ondersteunende activiteiten" (secundaire activiteiten)

a)

Technologie ontwikkeling & Service

b)

Inkoop & uitgaande logistiek

c)

Human resource management & Inkoop

d)

Human resource management, Marketing & Verkoop

30.

Wat staat "centraal" in de managementcyclus. In andere woorden: wat moet je altijd doen ongeacht de fase in de managementcyclus?

a)

Beslissen

b)

Bijsturen

c)

Plannen

d)

Organiseren

e)

Communicatie