wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pulsar tl3 hoofdstuk 1

Total questions: 26

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Voorbeelden van stofeigenschappen zijn:

a)

vorm, dichtheid en oplosbaarheid

b)

kleur, kookpunt en temperatuur

c)

smeltpunt, geur en gewicht

d)

hardheid, smaak en kookpunt

2.

Brandspiritus is een mengsel dat voor het grootste gedeelte uit alcohol bestaat. Voor alcohol die gebruikt wordt in dranken moet veel belasting worden betaald. Voor alcohol die bestemd is voor ander gebruik, bijvoorbeeld als brandstof, hoeft dat niet. Deze alcohol moet dan ongeschikt voor consumptie worden gemaakt. Dit doet men door er wat methanol aan toe te voegen. Methanol is giftig. Een methanolvergiftiging kan leiden tot blindheid en zelfs de dood. Welk(e) gevarensymbo(o)l(en) uit figuur 2 horen op het etiket van brandspiritus?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

1 en 2

e)

2 en 3

3.
Metalen zijn goede geleiders.
a)
waar
b)
niet waar
4.
Wat is waar over plastics.
a)
plastic is iets anders dan kunststof.
b)
plastic wordt gemaakt van aardolie.
c)
is binnen een jaar verteerd.
d)
is duur om te maken.
5.

In welke fase zit deze afbeelding van het deeltjesmodel

a)

De vaste fase

b)

De vloeibare fase

c)

De gas fase

6.

Hoe bewegen de deeltjes in de vaste fase?

a)

Ze bewegen helemaal niet en zitten vast in een rooster

b)

ze zitten vast in een rooster maar kunnen wel trillen

c)

de deeltjes kunnen langs elkaar bewegen

d)

de kunnen langs elkaar bewegen maar niet ver van hun beginplaats

7.

welke faseovergang zien we in het bovenstaande deeltjesmodel?

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

rijpen

8.

Op welke wijze kan je blootgesteld worden aan gevaarlijke stoffen?

a)

Inademen

b)

Inslikken

c)

Absorbering via de huid

d)

Alle bovenstaande antwoorden zijn correct

9.
Dit is een
a)
pipet
b)
maatcillinder
c)
reageerbuis
10.

Waarvoor gebruik je een weegschaal?

a)

Om het volume van een hoeveelheid stof te bepalen

b)

Om de massa van een hoeveelheid stof te bepalen

c)

Om de dichtheid van een hoeveelheid stof te bepalen

d)

Om de lengte van een hoeveelheid stof te bepalen

11.
Op de afbeelding zie je een aantal moleculen afgebeeld. Hoeveel stoffen worden er weergegeven?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
12.
Wat gebeurt er met stoffen als het warmer wordt?
a)
Ze worden kleiner
b)
Ze krimpen
c)
Ze worden groter
d)
Ze worden wel eens zo lang
13.
Wat is geen eigenschap van een molecuul
a)
Moleculen trekken elkaar aan
b)
Moleculen bewegen
c)
Elke stof heeft zijn eigen molecuul
d)
Moleculen zijn heel erg groot
14.

In welke fase is de aantrekkingskracht tussen de moleculen het groots?

a)

Gas fase

b)

Vloeibare fase

c)

Vaste fase

15.

Welk gevarensymbool herken je op de afbeelding?

a)

Schadelijk

b)

Giftig

c)

Explosiegevaar

d)

Dodelijk

e)

Gevaarlijk voor de gezondheid op lange termijn

16.

Wat is het symbool voor producten die giftig zijn?

a)
b)
c)
d)
e)
17.
de straat droogt op na een regenbui
a)
smelten
b)
verdampen
c)
condenseren
d)
vervluchtigen
18.
ramen beslaan in een volle bus
a)
condenseren
b)
verdampen
c)
smelten
d)
rijpen
19.
water in een plas als de temperatuur onder 0 komt
a)
rijpen
b)
smelten
c)
condenseren
d)
bevriezen
20.
het wit wat ontstaat op bomen tijdens een koude winternacht
a)
rijpen
b)
bevriezen
c)
stollen
d)
smelten
21.
de sneeuwlaag wordt dunner tijdens de vrieskou
a)
smelten
b)
stollen
c)
vervluchtigen
d)
bevriezen
22.
Het wasgoed in een droogtrommel
a)
verdampen
b)
condenseren
c)
rijpen
d)
vervluchtigen
23.
gassen kunnen......
a)
verdampen en smelten
b)
condenseren en smelten
c)
condenseren en rijpen
d)
stollen en rijpen
24.
vaste stoffen kunnen .......
a)
smelten en vervluchtigen
b)
smelten en stollen
c)
stollen en vervluchtigen
d)
vervluchtigen en rijpen
25.
vloeistoffen kunnen....
a)
verdampen en stollen
b)
verdampen en condenseren
c)
condenseren en vervluchtigen
d)
smelten en rijpen
26.
er zijn drie fasen van stoffen. hoeveel faseovergangen kennen we
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6