NEW
Font size
Worksheets2hv Grammatica WS 1-3
Total questions: 43
Worksheet time: 2hrs 9mins
Benoem het onderstreepte woord.
Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
De caissière vroeg: 'Mevrouw, mag ik even uw bonuskaart scannen?'
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
De caissière vroeg: 'Mevrouw, mag ik even uw bonuskaart scannen?'
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.
zelfstandig naamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
voorzetsel
Benoem het onderstreepte woord.
Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.
zelfstandig naamwoord
zelfstandig werkwoord
koppelwerkwoord
voorzetsel
Benoem het onderstreepte woord.
Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.
zelfstandig naamwoord
zelfstandig werkwoord
koppel werkwoord
voorzetsel
Benoem het onderstreepte woord.
Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte woord.
In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?
zelfstandig naamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
voorzetsel
Benoem het onderstreepte woord.
In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
voorzetsel
Benoem het onderstreepte woord.
In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte werkwoord.
Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?
hww
kww
zww
Benoem het onderstreepte werkwoord.
Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?
hww
kww
zww
Benoem het onderstreepte werkwoord.
Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?
hww
kww
zww
Benoem het onderstreepte werkwoord.
Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?
hww
kww
zww
Is de bewering juist of onjuist?
Als het gezegde van een zin uit meer werkwoorden bestaat, dan is de persoonsvorm altijd een koppelwerkwoord.
juist
onjuist
Is de bewering juist of onjuist?
Een zin bevat altijd een hulpwerkwoord.
juist
onjuist
Is de bewering juist of onjuist?
In een zin met een naamwoordelijk gezegde kan een hulpwerkwoord staan.
juist
onjuist
Benoem de onderstreepte werkwoorden.
In de kast naast de voordeur hebben zij tijdens een grondige poetsbeurt een bankbiljet gevonden.
hebben = hww en gevonden = zww
hebben = zww en gevonden = hww
hebben = hww en gevonden = kww
hebben = kww en gevonden = zww
Benoem de onderstreepte werkwoorden.
Op de zandbank zijn dikke zeehonden tussen de pinguïns aan het zonnen.
zijn = kww en zonnen = zww
zijn = hww en zonnen = kww
zijn = hww en zonnen = zww
zijn = zww en zonnen = hww
Benoem de hulpwerkwoorden.
Die honden kunnen echt niet altijd tot in de vroege uurtjes blijven waken.
kunnen, blijven
kunnen
waken
blijven, waken
Benoem de hulpwerkwoorden.
Na de voorstelling waren de toeschouwers allemaal rumoerig.
waren
waren rumoerig
rumoerig
geen hulpwerkwoorden in deze zin
Benoem de hulpwerkwoorden.
Voor alle bewoners zou de ingevoerde huurverhoging weleens erg ingrijpend kunnen worden.
kunnen, worden
zou
zou, kunnen
zou, worden
Benoem het koppelwerkwoord.
Ik vind het niet vreemd dat hij nu zo moe is.
vind
is
geen kww in deze zin
Benoem het koppelwerkwoord.
Onderzoek heeft aangetoond dat jonge kinderen onvoldoende groente en fruit eten.
heeft
aangetoond
eten
geen koppelwerkwoord in deze zin
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen
bn
vz
zn
bw
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
aanw. vnw
vr. vnw
bw
pers. vnw
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
bn
zn
blw
vz
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
hww
zww
kww
zn
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
aanw. vnw
zn
pers. vnw
bez. vnw
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
aanw. vnw
bn
bez. vnw
vz
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
zn
bw
vz
bn
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
blw
bn
zn
bw
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
bw
bn
zn
vz
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
hww
kww
zww
zn
Benoem het onderstreepte woord.
Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?
hww
kww
zww
zn
