wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2hv Grammatica WS 1-3

Total questions: 43

Worksheet time: 2hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord.

Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

2.

Benoem het onderstreepte woord.

Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord.

Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord.

Zullen zij deze week hun vakantie boeken of wachten ze nog even ons advies?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord.

De caissière vroeg: 'Mevrouw, mag ik even uw bonuskaart scannen?'

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord.

De caissière vroeg: 'Mevrouw, mag ik even uw bonuskaart scannen?'

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

7.

Benoem het onderstreepte woord.

'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

8.

Benoem het onderstreepte woord.

'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

9.

Benoem het onderstreepte woord.

'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

10.

Benoem het onderstreepte woord.

'Repareer het meteen maar!', zei het jongetje tegen zijn grote broer, nadat die te hardhandig met het speelgoed was omgegaan, zodat het nu kapot was.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

11.

Benoem het onderstreepte woord.

Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

voorzetsel

12.

Benoem het onderstreepte woord.

Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

d)

voorzetsel

13.

Benoem het onderstreepte woord.

Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

14.

Benoem het onderstreepte woord.

Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppel werkwoord

d)

voorzetsel

15.

Benoem het onderstreepte woord.

Die lekkere recepten van jou gebruik ik heel vaak.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

16.

Benoem het onderstreepte woord.

In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

voorzetsel

17.

Benoem het onderstreepte woord.

In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

voorzetsel

18.

Benoem het onderstreepte woord.

In welk bungalowpark zaten wij tijdens die vreselijke storm?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

19.

Benoem het onderstreepte werkwoord.

Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

20.

Benoem het onderstreepte werkwoord.

Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

21.

Benoem het onderstreepte werkwoord.

Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

22.

Benoem het onderstreepte werkwoord.

Wil je aan je vader vragen voor welk concert hij kaartjes gekocht heeft?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

23.

Is de bewering juist of onjuist?

Als het gezegde van een zin uit meer werkwoorden bestaat, dan is de persoonsvorm altijd een koppelwerkwoord.

a)

juist

b)

onjuist

24.

Is de bewering juist of onjuist?

Een zin bevat altijd een hulpwerkwoord.

a)

juist

b)

onjuist

25.

Is de bewering juist of onjuist?

In een zin met een naamwoordelijk gezegde kan een hulpwerkwoord staan.

a)

juist

b)

onjuist

26.

Benoem de onderstreepte werkwoorden.

In de kast naast de voordeur hebben zij tijdens een grondige poetsbeurt een bankbiljet gevonden.

a)

hebben = hww en gevonden = zww

b)

hebben = zww en gevonden = hww

c)

hebben = hww en gevonden = kww

d)

hebben = kww en gevonden = zww

27.

Benoem de onderstreepte werkwoorden.

Op de zandbank zijn dikke zeehonden tussen de pinguïns aan het zonnen.

a)

zijn = kww en zonnen = zww

b)

zijn = hww en zonnen = kww

c)

zijn = hww en zonnen = zww

d)

zijn = zww en zonnen = hww

28.

Benoem de hulpwerkwoorden.

Die honden kunnen echt niet altijd tot in de vroege uurtjes blijven waken.

a)

kunnen, blijven

b)

kunnen

c)

waken

d)

blijven, waken

29.

Benoem de hulpwerkwoorden.

Na de voorstelling waren de toeschouwers allemaal rumoerig.

a)

waren

b)

waren rumoerig

c)

rumoerig

d)

geen hulpwerkwoorden in deze zin

30.

Benoem de hulpwerkwoorden.

Voor alle bewoners zou de ingevoerde huurverhoging weleens erg ingrijpend kunnen worden.

a)

kunnen, worden

b)

zou

c)

zou, kunnen

d)

zou, worden

31.

Benoem het koppelwerkwoord.

Ik vind het niet vreemd dat hij nu zo moe is.

a)

vind

b)

is

c)

geen kww in deze zin

32.

Benoem het koppelwerkwoord.

Onderzoek heeft aangetoond dat jonge kinderen onvoldoende groente en fruit eten.

a)

heeft

b)

aangetoond

c)

eten

d)

geen koppelwerkwoord in deze zin

33.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen

a)

bn

b)

vz

c)

zn

d)

bw

34.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

aanw. vnw

b)

vr. vnw

c)

bw

d)

pers. vnw

35.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

bn

b)

zn

c)

blw

d)

vz

36.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

hww

b)

zww

c)

kww

d)

zn

37.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

aanw. vnw

b)

zn

c)

pers. vnw

d)

bez. vnw

38.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

aanw. vnw

b)

bn

c)

bez. vnw

d)

vz

39.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

zn

b)

bw

c)

vz

d)

bn

40.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

blw

b)

bn

c)

zn

d)

bw

41.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

bw

b)

bn

c)

zn

d)

vz

42.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

d)

zn

43.

Benoem het onderstreepte woord.

Aan welke jongeren zou ik zulke ouderwetse schoenen nog kunnen verkopen?

a)

hww

b)

kww

c)

zww

d)

zn