wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Biologie HAVO 1 Thema 4 Ordening B1 t/m 5

Total questions: 35

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.
Welke onderdelen komen voor bij plantencellen en niet bij schimmelcellen?
a)
Celwanden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Celkernen
d)
Vacuoles
2.
Bij welk rijk hebben de organismen zulke cellen?
a)
Bacteriën
b)
Schimmels
c)
Planten
d)
Dieren
3.
De blauwe Abessijn en de heilige Birmaan kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen
a)
Juist
b)
Onjuist
4.

Bacteriën kunnen voedsel doen bederven.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Een bacteriële infectieziekte kan worden bestreden met antibiotica.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Veelcellige schimmels planten zich meestal voort door deling.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Sir Alexander Flemming ontdekte dat de penseelschimmel een stofje maakte die bacteriën kon doden. Hoe heet dit stofje?

a)

Antibiotica

b)

Antifunginen

c)

Medicijn

d)

Antistoffen

8.

Een hete zure bron in Yellowstone kleurt oranje door een een micro-organisme. Tot welk domein behoort dit organisme?

a)

Bacteriën

b)

Eukaryoten

c)

Archaea

9.

In de afbeelding zie de voortplanting van een organisme. Bij welk rijk hoort dit organisme?

a)

Schimmel

b)

Planten

c)

Bacteriën

d)

Dieren

10.

Welke kenmerken gebruiken we voor de indeling van de rijken?

a)

Celkern, celwand en afmeting.

b)

Celwand, celkern en bladgroenkorrel.

c)

Celkern, celwand en celmembraan.

11.

Schimmels worden gebruikt bij de bereiding van voedsel voor de mens.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Op de afbeelding zie je een gebruikte petrischaal. Wat kun je met behulp van steriele petrischaal met voedingsbodem onderzoeken?

a)

Waar eencelligen en diertjes leven in het water.

b)

Waar schimmels en planten groeien in het bos.

c)

Waar in school bacteriën en schimmels zitten.

d)

Waar in de schoolkantine schimmel en dieren zitten.

13.

Bij de bereiding van welke voedselproducten worden bacteriën gebruikt?

a)

Yoghurt, zuurkool en kwark.

b)

Yoghurt, zuurkool en wijn.

c)

Yoghurt, kwark en brood.

14.

Bij welke stam komen ééncellige planten voor?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

15.

Bij welke stam hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

16.

Tot welke stam behoort de adelaarsvaren?

a)

Wieren (algen)

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Varens

17.

Wat is het verschil tussen zaden en sporen?

a)

Er is geen verschil.

b)

Sporen zijn groter dan zaden.

c)

Zaden hebben reservevoedsel.

d)

Sporen hebben reservevoedsel.

18.

Welke behoort niet tot de sporenplanten?

a)

Mossen

b)

Varen

c)

Algen

d)

Paardenstaarten

19.

Tot welke stam behoort de plant op het plaatje?

a)

Wieren (algen)

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

20.

Bij welke stam komen planten voor met orgaantjes zoals op het plaatje?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

21.

Tot welke stam behoort de Boomalg?

a)

Zaadplanten

b)

Wieren (algen)

c)

Sporenplanten

22.

Op de afbeelding zie je de witte dovenetel. Welke vier kenmerken van de afdeling zaadplanten zijn te zien?

a)

Stengel, wortel, bladeren en sporendoosje.

b)

Stengel, wortel, balderen en sporenvormende orgaantjes.

c)

Stengel, wortel, bladeren en bloemen.

23.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
24.

Welk dier is veelzijdig symmetrisch?

a)

Zeekomkommer

b)

Zeebaars

c)

Zeester

d)

Dolfijn

25.

Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...

a)

Inwendig skelet

b)

Beschermend skelet

c)

Hard skelet

d)

Uitwendig skelet

26.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
27.

Dieren met een uitwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mossels

c)

Honden

d)

Krabben

e)

Slakken

28.

Welk dier is geleedpotig?

a)

Rode vingerspons

b)

Duizendpoot

c)

Kwal

d)

Lintworm

29.

In de afbeelding zie je een wants. Deze is:

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Niet-symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

30.

Welke uitspraak over de zee-egel in de afbeelding is waar?

a)

Dit dier is niet-symmetrisch.

b)

Dit dier behoort tot de stekelhuidigen.

c)

Dit dier heeft geen skelet.

31.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Wormen

32.

Tot welke STAM behoort de kreeft?

a)

Gewervelden

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

33.

Een mier heeft een uitwendig skelet.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Een krokodil is veelzijdig symmetrisch.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Een functie van het skelet is bewegen. Wat zijn de andere de functies van het skelet van een dier?

a)

Stevigheid en beweging.

b)

Stevigheid en bescherming.

c)

Bescherming en verdediging.

d)

Bescherming en camouflage.